chevron-down chevron-left chevron-right chevron-up home circle comment double-caret-left double-caret-right like like2 twitter epale-arrow-up text-bubble cloud stop caret-down caret-up caret-left caret-right file-text

EPALE

Elektronisch platform voor volwasseneneducatie in Europa

 
 

Nieuws

Erasmus+ project GOAL wijst volwassenen de weg naar opleiding

21/11/2015
Taal: NL

/nl/file/logowebkleinjpglogoweb_klein.jpg

logo GOAL
GOAL staat voor Guidance and Orientation for Adult Learners. Het GOAL-project is opgezet met steun van het Erasmus+programma van de Europese Unie in sleutelactie 3 (KA3 - steun voor beleidshervorming). De partners van het project zullen in 6 landen van de EU, waaronder Vlaanderen, een experimentele dienst opzetten waar laaggeschoolde volwassenen terecht kunnen voor leertrajectbegeleiding. Op lange termijn wil het project ervoor zorgen dat meer laaggeschoolde volwassenen de weg vinden naar een gepaste opleiding waardoor ze ook hun kansen op duurzame tewerkstelling kunnen verhogen. De coördinatie van het project is in handen van het Vlaamse Departement Onderwijs en Vorming.

 

Liesbet Vermandere, adviseur volwassenenonderwijs op het departement Onderwijs en Vorming, lag aan de basis van het project. Als lid van de ‘Technical Working Group on Adult Learning’ van de Europese Commissie  lanceerde zij het idee voor het project en oogstte daarmee heel wat bijval.

/nl/file/liesbetennadiajpgliesbet_en_nadia.jpg

Liesbet Vermandere en Nadia Reynders

Projectcoördinator Nadia Reynders en initiatiefnemer Liesbet Vermandere bij de lancering van het project in Brussel.

 

Hoe is het project er gekomen? Hoe verliep dat proces?

 

Liesbet Vermandere: Het is al langer een Europese aanbeveling om voor volwassenen - in het bijzonder voor laaggeschoolde volwassenen - dienstverlening te voorzien waar volwassenen terecht kunnen voor onafhankelijke, neutrale informatie over hun opleidingsmogelijkheden, voor begeleiding in het duidelijk krijgen van hun leervragen en de toeleiding naar het meest geschikte aanbod. Sinds 2010 heeft de Vlaamse Regering deze doelstelling ook onderschreven. Spijtig genoeg zijn we er tijdens de vorige legislatuur niet in geslaagd om dit te laten landen.

Toen kwam van de Europese Commissie eind 2013 een Erasmus+-oproep met als één van de doelstellingen het aantal laaggeschoolde volwassenen verminderen.  In de werkgroep lanceerde ik het idee om op die oproep in te gaan. Opzet van het project was dat meer (laaggeschoolde) volwassenen (opnieuw) zouden gaan leren en dat zij hiervoor terecht zouden kunnen bij een dienst, een zogenaamde ‘one-stop-shop’, die hen wegwijs maakt in het soms ingewikkelde kluwen van de leermogelijkheden die er bestaan.

Op mijn oproep kwam onmiddellijk veel respons.  We kwamen uiteindelijk uit bij 6 partnerlanden (Nederland, Slovenië, Litouwen, IJsland, Tsjechië en Turkije als observerende partner). Ook in Vlaanderen gingen we op zoek naar geschikte partners. We wilden een partner in een provinciale omgeving en één in een grootstedelijke context. Twee consortia voor volwassenonderwijs leken de meest geschikte partners: COMENES in West-Vlaanderen en Vol-ant in de stad Antwerpen. COMENES was een interessante partner omdat zij al heel wat ervaring hadden opgedaan in hun leerwinkel-project. Als tweede partner kozen we voor het Consortium Vol-ant in Antwerpen omdat daar de grootstedelijke problematiek heel erg speelt en er er ook waardevolle contacten en samenwerking waren opgebouwd,  o.m. met een netoverschrijdend samenwerkingsplatform van de Centra voor Leerlingenbegeleiding.

 

/nl/file/logodestappng-1logo_de_stap.png

logo de stap

/nl/file/leerwinkelpng-0leerwinkel.png

logo de leerwinkel
Het project werd goedgekeurd, maar tegelijkertijd kwam het nieuws dat de consortia werden afgeschaft. Zo moest er op zoek gegaan worden naar nieuwe partners. Daarvoor waren er (slechts) 5 werkdagen, maar het lukte. Als nieuwe partners kwamen De Stap in Gent en de provincie West-Vlaanderen, die het  Leerwinkel-project van COMENES had overgenomen.

 

Wat was de belangrijkste motivatie om een aanvraag te schrijven om dit project kunnen uitvoeren?

/nl/file/crevitspngcrevits.png

Minister Crevits
Liesbet: Een belangrijke motivatie in dit proces is de politieke steun. Met het project willen we immers een aantal beleidshypotheses toetsen zodat deze dienstverlening voor volwassenen zo goed mogelijk structureel kan worden uitgebouwd. Minister Crevits schaart zich ten volle achter het opzet van GOAL en engageerde zich om het project met ons mee op te volgen en de beleidsaanbevelingen ter harte te nemen.

In Vlaanderen is er al heel wat geïnvesteerd om volwassenen aan het leren te krijgen en te houden. Toch is blijven leren nog niet vanzelfsprekend voor alle Vlamingen. De Europese Unie streeft ernaar dat in 2020 ten minste 15% van de volwassenen deelneemt aan een (formele of niet-formele) opleiding of vorming. Vlaanderen scoort nog ver onder dat percentage. Bovendien zien we daar nog geen verbetering in.

Uit internationaal onderzoek blijkt dat er in Vlaanderen nog altijd heel wat laaggeletterden zijn en dat we er op dat vlak ook niet echt op vooruit gaan. ‘Levenslang leren’ zit niet echt in onze cultuur vervat. Dan rijst de vraag wat daar de redenen voor zijn. Wat heel vaak terugkomt zijn negatieve ervaringen op school in het verleden, zeker bij mensen die zonder diploma het secundair onderwijs verlaten, de zogenaamde ‘ongekwalificeerde uitstroom’. Zij willen vaak niet meer de stap zetten naar het formele volwassenenonderwijs of de ruimere volwasseneneducatie omdat zij dit associëren met eerdere schoolse ervaringen. Als je dan zo iemand kan overtuigen om toch de stap te zetten, moet je ervoor zorgen dat de opleiding waar hij of zij in terecht komt echt een antwoord biedt op wat die persoon op dat ogenblik nodig heeft. Als dat niet zo is, kan je er zeker van zijn dat zo iemand opnieuw snel afhaakt. En dan ben je ze waarschijnlijk voorgoed kwijt. Met ons project willen we mensen die op zoek zijn naar een geschikte opleiding en tussen de bomen het bos niet meer zien op de goede weg zetten en blijven begeleiden. Op de dienst die wij voor ogen hebben, kunnen ze samen met de trajectbegeleiders achterhalen welke mogelijkheden er voor hen zijn, waar ze daarvoor terecht kunnen, wat dat zal kosten, of ze er een certificaat of een diploma voor kunnen krijgen, enzovoort. Zeker voor laaggeschoolden, die het meest kwetsbaar zijn, zijn we ervan overtuigd dat dit soort dienstverlening een noodzaak is. En niet alleen de toeleiding is belangrijk, de opvolging achteraf is zeker zo belangrijk.

Door het versnipperde landschap van de volwasseneneducatie in Vlaanderen is het niet gemakkelijk om deze dienstverlening op te zetten. Het moet een netwerkorganisatie worden waar verschillende partners een belangrijke rol opnemen. Bovendien plaatsen we de perspectieven, vragen en behoeften van de volwassene centraal, geen externe factoren zoals het aanbod dat er is of de behoeften van de regionale arbeidsmarkt.  Gelukkig zien velen hier de meerwaarde van in. Ook het politieke engagement is er. Nu nog de praktische uitwerking. Daar timmeren we met ons project dus aan. En met de partners in ons project, zowel internationaal als lokaal, komen we er wel, daar geloof ik echt in.

Nadia Reynders, is adviseur volwassenenonderwijs op het departement Vorming en Onderwijs. Zij is coördinator van het GOAL-project. Elders op EPALE leest u meer over haar rol als projectcoördinator van GOAL.

Hoe kozen jullie de partners voor dit project?

 

Nadia Reynders: De belangstelling om mee te doen in het project was heel groot. Zeker 12 landen toonden in het begin hun interesse. We selecteerden dan 6 partnerlanden op basis van een aantal gemeenschappelijke kenmerken van de volwasseneneducatie in die respectieve landen. Daar kwam ook nog een onderzoekspartner uit het Verenigd Koninkrijk bij. Dat werd het gerenommeerde Institute of Education uit Londen.

Wat heeft de volwasseneneducatie in de partnerlanden gemeenschappelijk?

 

Nadia: We stelden vast dat in elk van de landen het ‘Mattheüs-effect’ speelde, nl. dat vooral laaggeschoolden het moeilijkst de weg vinden naar de volwasseneneducatie. We zagen ook overal een grote versnippering in het educatieve aanbod. In veel landen zijn er verschillende beleidsdomeinen bij betrokken. Ook bij ons is dat zo. Net voor laaggeschoolden is het heel moeilijk om de weg daarin te vinden. In alle partnerlanden stelden we ook een hoge werkloosheid vast bij laagopgeleiden. Een ander gemeenschappelijk kenmerk is het gebrek aan coherentie in het beleid.  Er bestaan verschillende soorten begeleiding aan volwassenen, zoals bvb. loopbaanbegeleiding, leertrajectbegeleiding of begeleiding naar werk hebben, die heel wat gemeenschappelijke kenmerken hebben maar een verschillende doelstelling. Het is daarom belangrijk om hierin coherentie en complementariteit te zoeken. Een ander aspect dat in alle landen naar voren kwam is dat de begeleiding vaak  heel erg toegespitst is op zo snel mogelijke en vaak weinig duurzame tewerkstelling. Andere vaardigheden die misschien iets meer algemeen zijn of niet zozeer rechtstreeks met het vinden van een job te maken hebben, komen vaak niet of weinig aan bod. Zo wordt bijvoorbeeld een probleem van laaggeletterdheid niet altijd aangepakt omdat de focus ligt op een training in functie van een job. Een laatste gemeenschappelijk kenmerk was dat loopbaanbegeleiding, vaak vooral afgestemd is op hoger opgeleiden die willen kijken wat hun carrièremogelijkheden zijn.

Het is nu de bedoeling om in de eerste fase van ons project al deze aspecten veel nauwkeuriger in kaart te brengen. Dat gebeurt door literatuuronderzoek, een SWOT-analyse bij de bestaande diensten en interviews met de projectmedewerkers in elk land met een focus op het beleid. Het onderzoeksinstituut uit Londen zorgt samen met lokale evaluatoren voor de analyse en rapportering van al deze gegevens.

Jullie onderzoekspartner heeft een belangrijke rol in het project?

 

Nadia: Ja, want we willen werken aan een ‘evidence informed’ beleid, een beleid dat steunt op maatregelen die bewezen hebben dat ze werken. In ons project gaan we na wat de voorwaarden zijn om kwaliteitsvolle leertrajectbegeleiding te bieden. Dit betekent dat we zullen nagaan wie deze dienstverlening moet aanbieden, welke netwerkpartners daar bij betrokken moeten zijn, welke omgevingsfactoren een invloed hebben, enzovoort. We brengen al deze factoren volgens hetzelfde stramien in kaart omdat we internationaal willen vergelijken. Op basis van dit bewijsmateriaal kunnen we dan naar beleidsmakers en andere betrokkenen gaan om aan te tonen dat wat wij voorstellen een haalbare kaart is. We kunnen op die manier ook al implementeerbare modellen voorstellen. De verzameling en analyse van deze gegevens is een heel moeilijk proces dat heel nauwgezet moet gebeuren. Daarom zorgt onze onderzoekspartner voor de onderzoeksstrategie en -methodologie van het project. Zij bepalen hoe het onderzoek zal gebeuren en welke (kwantitatieve en kwalitatieve) gegevens er in elk land moeten verzameld via de registratiesystemen van de begeleidingsinstanties. Zij leveren ook de vragen voor de lokale interviews, de evaluatieformulieren, enzovoort. Er komt bijvoorbeeld een gemeenschappelijke klantentevredenheidsenquête voor alle gebruikers van de dienstverlening. Ook die enquête ontwikkelden zij, op basis van de input van alle landen. Om de projectmedewerkers en de lokale evaluatoren vertrouwd te maken met de gebruikte onderzoeksinstrumenten organiseerden we een gezamenlijke workshop.

De grote doelstellingen van het project zijn ambitieus en veelomvattend. Hoe gaan jullie daar concreet aan werken?

 

Nadia: Heel concreet willen we sterk inzetten op die beleidsexperimenten, of met andere woorden de dienstverlening die we zullen uittesten. Uit die ervaring kunnen we de zogenaamde ‘kritische succesfactoren’ in kaart brengen die het beleid in de toekomst mee vorm kunnen geven. Om het werkbaar te houden kwamen we met alle partners overeen dat we op 5 duidelijke interventiestrategieën zullen inzetten.

  1. Opbouwen en/of uitbouwen van een netwerk of partnerschappen met relevante organisaties
  2. Ontwikkelen en/of aanpassen van instrumenten om laaggeschoolde volwassenen te begeleiden
  3. Competentieprofielen uitwerken voor leertrajectbegeleiders
  4. ‘Outreach’: doelgroepen actief bereiken
  5. Kwalitatieve dienstverlening (leertrajectbegeleiding) met het oog op ‘one step up’

 

  1. Opbouwen en/of uitbouwen van een netwerk of partnerschappen met relevante organisaties

Deze eerste interventiestrategie vinden wij heel relevant omdat we merken dat er in alle landen een dienstverlening of een soort begeleiding is waar verschillende beleidsdomeinen bij betrokken zijn. Het gaat vaak over begeleiding naar werk, zoals bij ons de VDAB. Daarnaast bestaan er dan ook nog alle onderwijs- en vormingsverstrekkers en andere lokale actoren die met dezelfde doelgroepen werken. Bij ons, en dan specifiek voor laaggeschoolden, zijn dat bijvoorbeeld het OCMW, de VDAB en Werkwinkels, voor anderstaligen ook het Huis van het Nederlands en andere begeleidende instanties.

Het is belangrijk dat daarin partnerschappen opgebouwd worden en afspraken gemaakt worden over doorverwijzing, dit om overlap in de dienstverlening te vermijden en zoveel mogelijk complementariteit na te streven. Als het OCMW bijvoorbeeld een cliënt heeft met heel specifieke leernoden, kunnen ze die persoon doorverwijzen naar de Leerwinkel of de Stap. Daarnaast  kunnen er ook afspraken gemaakt worden over een ‘outreach’-dienstverlening:  het OCMW kan bijvoorbeeld een ruimte ter beschikking stellen voor de dienstverlening van de leerwinkel. Dit is heel wat laagdrempeliger voor de doelgroep omdat ze op die plaats toch al komen. Wat ook heel belangrijk is, maar wat heel moeilijk blijkt, is dat het onderwijs- en vormingsaanbod op een goede manier ontsloten wordt. Er zijn wel websites, bijvoorbeeld ‘Word wat je wil’ en ‘Onderwijskiezer’, maar het is niet gemakkelijk om daar echt specifieke opleidingen en modules op terug te vinden die ook nog up-to-date zijn. Heel vaak moet iemand die op zoek is naar een opleiding dan toch nog contact zoeken met de instellingen zelf om te weten welke mogelijkheden er bestaan. We zouden graag hebben dat dit structureler kan worden uitgebouwd, in samenwerking met het Departement Onderwijs en Onderwijskiezer.

  1. Ontwikkelen of aanpassen van instrumenten om laaggeschoolde volwassenen te begeleiden

Deze interventiestrategie heeft te maken met instrumenten of tools die leertrajectbegeleiders gebruiken om bijvoorbeeld de interesses, motivatie, competenties of geletterdheid van een cliënt in te schatten, of cliënten te helpen bij het maken van keuzes of die de trajectbegeleider nog andere ondersteuning bieden. In elk land worden er zo wel een aantal tools gebruikt. Die gaan we eerst allemaal in kaart brengen en kijken of ze geschikt zijn voor onze doelgroep. Met die inventaris zullen we de meest relevante tools selecteren, eventueel aanpassen en indien nodig zelfs nieuwe tools ontwikkelen. We willen dan tijdens de experimenten internationaal in kaart brengen welke elementen van belang zijn in de ontwikkeling en het  gebruik van de tools.   

  1. Competentieprofielen uitwerken voor leertrajectbegeleiders

Heel wat landen zetten erg in op het opleiden van leertrajectbegeleiders. We gaan dan na of er in die landen al bepaalde beroepscompetenties in kaart gebracht zijn, dus wat een leertrajectbegeleider moet kennen en kunnen en welke competentieprofielen er gebruikt worden. Bijvoorbeeld in IJsland is er een masteropleiding voor leertrajectbegeleiders. Dat bestaat bij ons helemaal niet. Door internationaal competentieprofielen naast elkaar te leggen, kunnen we dan nagaan welke competenties inherent zijn aan leertrajectbegeleiding en welke contextspecifiek zijn.

  1. ‘Outreach’: doelgroepen actief bereiken

We merken dat het in heel veel landen moeilijk is om laaggeschoolden te bereiken. Zij vinden blijkbaar vaak de weg niet naar bestaande diensten. Daarom is het in veel gevallen belangrijk om te zoeken naar manieren om de doelgroep te bereiken door de dienstverlening naar hen te brengen. Dat kan gaan over promotieactiviteiten opzetten of zelfs leertrajectbegeleiding op locaties waar de doelgroep aanwezig is zoals bv. het OCMW, een Werkwinkel, enzovoort. We denken hierbij ook aan een ‘pop-up’ leerwinkel op een evenement, een beurs of andere evenementen. We gaan op zoek naar nieuwe modellen en deze  zullen we uitproberen en evalueren.

  1. Kwalitatieve dienstverlening met het oog op ‘one-step-up’

Onze vijfde interventiestrategie is de dienstverlening zelf waarbij we streven naar ‘one-step-up’. De begeleiding moet niet onmiddellijk als doel hebben om een job te vinden of een diploma te behalen, maar ook andere ‘kleinere’ stappen waarderen, bv. dat iemand zich inschrijft voor een opleiding, een deelcertificaat behaalt, beter leert lezen of schrijven, zijn zelfvertrouwen ziet groeien… Dat is ook het idee achter ons logo met de pijltjes die, in verschillende kleuren, naar boven gaan.

Werkt elk land aan alle vijf punten?

Nadia: Neen, afhankelijk van hoe ver een land al staat of waar het de focus op wil leggen kan het kiezen om te werken aan slecht één bepaald punt maar ook om er twee of drie uit te kiezen. Nederland wil bijvoorbeeld heel sterk inzetten op een screeningsinstrument voor laaggeletterdheid en op een soort roadmap voor de verschillende begeleidingsinstanties in hun land zodat die, samen met hun cliënten, het onderwijsaanbod op dezelfde manier kunnen verkennen.

Vlaanderen wil werken aan alle vijf de punten, misschien met iets meer nadruk op het eerste, het tweede en het vijfde. De Leerwinkel bijvoorbeeld wil nagaan hoe ze meer aan ‘outreach’ kunnen doen, dus echt zelf naar de doelgroepen gaan in plaats van er van uit te gaan dat ze jou wel zullen vinden. Alle partners beschrijven heel nauwkeurig hoe ze willen werken aan de interventiestrategieën die voor hen het meest van belang is. Tijdens onze internationale meetings wisselen we hierover uit en identificeren we de overeenkomsten en de verschillen.

/nl/file/groepsfotojpg-0groepsfoto.jpg

groepsfoto in Slovenië

Tijdens een meeting in Slovenië verduidelijkten de partners welke van de interventiestrategieën voor hen het meeste belang hebben.

 

Hoe zullen jullie op het einde van het proces weten of het succesvol is geweest?

Nadia: Door alles wat we doen in de loop van het project goed op te volgen en te evalueren. Dat is ook een heel belangrijke voorwaarde van onze subsidiegever. We hebben gekozen voor procesevaluatie en het ‘theory-of-change model’, aangebracht door onze onderzoekspartner Institute of Education . De leertrajectbegeleiders registreren in elk land zoveel mogelijk kwantitatieve en kwalitatieve gegevens tijdens de trajectbegeleidingen van minimum 200 cliënten per land. Ook zullen cliënten na een begeleidingssessie regelmatig  een evaluatieformulier invullen. We voorzien een tussentijdse evaluatie waarbij de monitoring-gegevens van de trajectbegeleidingen verwerkt worden en waar er ook al kwalitatieve interviews zullen afgenomen worden met betrokkenen. Dit zal nog niet meteen met de cliënten zijn, maar wel met alle actoren waarmee werd samengewerkt. Voor de lokale trajectbegeleiders zal het niet altijd gemakkelijk zijn om gegevens te verzamelen voor de projectevaluatie. We proberen dan ook zoveel mogelijk de gegevensverzameling te laten aansluiten bij wat zinvol is voor de trajectbegeleiding zelf. Toch zal er van de trajectbegeleiders gevraagd worden soms een tandje bij te steken en gegevens te vragen die vooral voor de evaluatie van belang zijn. Ook zal het niet zo eenvoudig zijn om de doelgroep te overtuigen om een opvolgingsinterview te doen.  Gelukkig heeft onze lokale evaluator, Tempera, daar heel veel ervaring mee.

Alle verzamelde gegevens zullen dan zowel lokaal als internationaal geanalyseerd worden door respectievelijk lokale evaluatoren en het Institute of Education. Deze analyses zullen resulteren in lokale rapporten met modellen, conclusies en beleidsaanbevelingen en een internationaal vergelijkend rapport waarin verschillende modellen voor leertrajectbegeleiding aan elkaar getoetst worden en belangrijke succescriteria en voorwaarden gelinkt aan contextfactoren in kaart gebracht zijn. 

Share on Facebook Share on Twitter Epale SoundCloud Share on LinkedIn
Refresh comments Enable auto refresh

1 - 1 van 1 weergegeven
  • afbeelding van NSS EPALE Nederland

    Lees ook over de Nederlandse bijdrage aan het GOAL-project /nl/content/ocw-en-stichting-lezen-schrijven-nederlandse-partners-het-goal-project-0