chevron-down chevron-left chevron-right chevron-up home circle comment double-caret-left double-caret-right like like2 twitter epale-arrow-up text-bubble cloud stop caret-down caret-up caret-left caret-right file-text

EPALE - Elektronisch platform voor volwasseneneducatie in Europa

Blogs

Open leermiddel: Digitale vaardigheden en competenties voor volwassen lerenden

09/11/2020
door NSS EPALE Nederland
Taal: NL
Document available also in: EN FI ES FR DE IT EL

OER: Digital Skills & Competences for Adult Learners

Deze OER (open leermiddel) bevat een artikel (dat je hier op EPALE kunt lezen of downloaden als pdf), een video en een quiz om je competenties te beoordelen.

    

Inhoudsopgave

1. Leven en werken in een veranderende wereld

2. Digitale competentie en sociale inclusie

Video: Interview met Maria Ranieri

3. Digitale competentie voor inzetbaarheid

4. Suggesties voor opleiders

Aanbevolen leesmateriaal

Quiz

     

1. Leven en werken in een veranderende wereld

Digitale competentie – volgens de definitie en uitleg in dit artikel – wordt steeds meer beschouwd als een belangrijke transversale vaardigheid voor burgerschap.
Digitale technologie en aanverwante diensten veranderen voortdurend en om digitale uitsluiting te voorkomen, moet de digitale competentie met die ontwikkeling meegroeien. Nu digitale hulpmiddelen steeds breder beschikbaar komen, hangt het risico op uitsluiting steeds meer samen met het ontbreken van digitale competentie. Neem bijvoorbeeld de penetratie van mobiele telefoons. Het dekkingspercentage van mobiele telefoons was in 2019 op alle continenten 100%, behalve in Afrika, waar de penetratiegraad 80% was (ITU - statistieken 2019). Tegelijkertijd is digitale competentie essentieel geworden voor inzetbaarheid op de arbeidsmarkt en op het werk. Naast specialistische ICT-vaardigheden die op de arbeidsmarkt worden gevraagd, is digitale competentie nu essentieel voor het zoeken en krijgen van een baan of om aan de slag te gaan als zelfstandige. Digitale competentie is ook belangrijk voor samenwerking en voor het uitvoeren van verschillende taken in banen waarbij sprake is van informatie- en gegevensbeheer, productie van content, communicatie, enzovoort.

Digitale competentie werd in het nieuwe referentiekader voor sleutelcompetenties voor een leven lang leren (Aanbeveling van de Europese Raad inzake sleutelcompetenties voor een leven lang leren, 2006 en 2018) voor het eerst genoemd als transversale vaardigheid voor het leven. Daarmee werd digitale kennis breder getrokken dan de strikt technische en procedurele definitie die dit begrip in eerdere Europese benaderingen had. In de nieuwe definitie wordt niet langer uitsluitend uitgegaan van zuivere ICT-vaardigheden (zoals het oorspronkelijke Europese computerrijbewijs (ECDL)), maar is er ook aandacht voor aspecten als een kritische beoordeling van online informatie en creatief werk als het produceren van digitale content. Het DigComp-referentiekader is een fundamenteel instrument dat door de Europese Unie (EU) is ontwikkeld als antwoord op de uitdagingen van de digitale transformatie van ons leven en ons werk.  Het DigComp referentiekader werd voor het eerst gepubliceerd in 2013 en is sinds die eerste verschijning herzien en bijgewerkt: de meest recente versie, DigComp 2.1, dateert van 2017. Dit referentiekader beschrijft de competenties die tegenwoordig nodig zijn voor een vertrouwd, kritisch, samenwerkingsgericht en creatief gebruik van digitale technologie voor het realiseren van activiteiten en doelen op het gebied van werk, leren, vrije tijd, inclusie en participatie in onze digitale samenleving. Op dit moment is dit kader daarom het belangrijkste referentiedocument in Europa voor de ontwikkeling en strategische planning van initiatieven op het gebied van digitale competentie.

Het Digcomp-referentiekader omvat vijf dimensies:

  1. Vijf competentiegebieden die betrekking hebben op digitale competentie: informatie- en datageletterdheid; communicatie en samenwerking; het creëren van digitale content; veiligheid; problemen oplossen.
  2. 21 competentiebeschrijvingen en titels die op de competentiegebieden van toepassing zijn.
  3. Acht vaardigheidsniveaus voor alle competenties, te weten basis > niveau 1 en 2; gemiddeld > niveau 3 en 4; gevorderd > niveau 5 en 6; uiterst gespecialiseerd > niveau 7 en 8.
  4. Kennis, vaardigheden en attitudes voor alle competenties
  5. Toepassingsvoorbeelden, over de toepasselijkheid van de competentie voor verschillende doelen.

DigComp

 

Het referentiekader is flexibel en kan worden gebruikt in verschillende sectoren waar digitale competentie steeds belangrijker wordt (zie DigComp into Action – Get inspired Make it happen – A user guide to the European Digital Competence Framework), zoals:

1. Onderwijs en opleidingen: digitale competentie is relevant op alle niveaus binnen het onderwijsstelsel (inclusief scholen en hoger onderwijs), om diverse redenen – van actief burgerschap tot het gebruik van ICT voor leerdoeleinden en het zoeken van werk.

2. Een leven lang leren en sociale inclusie: digitale competentie is ook belangrijk in het dagelijks leven. Het ontbreken van digitale competentie kan het risico op sociale uitsluiting voor mensen die al een achterstand hebben vergroten (bijv. mensen met een handicap, migranten, ouderen, etc.).

3. Werkgelegenheid en arbeidsomstandigheden: digitale competentie is tegenwoordig onmisbaar voor de uitvoering van werk op verschillende niveaus (meer algemeen of meer specialistisch), aangezien voor steeds meer functies digitale vaardigheden nodig zijn.

Op deze gebieden wordt DigComp voor uiteenlopende doelen ingezet, die inzicht bieden in de rol die Digcomp op het gebied van volwasseneneducatie vervult, namelijk:

  • als hulpmiddel voor het analyseren van de digitale vaardigheden die voor verschillende banen nodig zijn en voor het definiëren van de bijbehorende digitale beroepsprofielen;
  • als hulpmiddel voor het beoordelen en certificeren van de digitale vaardigheidsniveaus;
  • als hulpmiddel voor het ontwerpen, ontwikkelen en uitvoeren van opleidingsprogramma’s voor digitale competenties.

In de volgende paragrafen gaan we in op een leven lang leren, inclusie en werkgelegenheid, en bespreken we de rol die de verwerving van digitale competentie heeft gekregen in het leven van volwassenen, of ze nu het risico lopen op sociale uitsluiting, of voor hun werk hun vaardigheden moeten verbeteren. Ook noemen we een aantal voorbeelden van methoden en instrumenten waar volwassenenopleiders in hun werk van zouden kunnen profiteren.



Video

 

/nl/file/digital-skills-competences-adult-learners-interview-maria-ranieriDigital Skills & Competences for Adult Learners. An interview with Maria Ranieri

 


2. Digitale competentie en sociale inclusie 

Een relevant interessegebied voor volwassenenopleiders op het gebied van digitale competenties betreft volwassenen die het risico op sociale uitsluiting lopen. Het gaat dan met name om mensen in de marge van de samenleving en ouderen die digitale vaardigheden moeten ontwikkelen voor de instandhouding van hun sociale contacten en cognitieve vaardigheden in een digitale wereld. Volgens Eurostatgegevens uit 2016 lopen mensen met een laag opleidings- of inkomensniveau nog altijd het risico op digitale uitsluiting, en neemt het aantal mensen met weinig digitale vaardigheden toe met de leeftijd. Zo gebruikt in de EU-28 96% van de mensen in de leeftijdsgroep 16-24 jaar minstens één keer in de week internet, terwijl dit in de leeftijdsgroep 55-74 nog maar 57% is. In recente jaren is wel wat vooruitgang geboekt, maar verdere verbetering van de situatie is nodig om de betrokkenheid van burgers bij het sociale, politieke en economische leven in de moderne samenleving te ondersteunen en te stimuleren. Zoals benadrukt in verschillende EU-documenten en de literatuur over digitale ongelijkheid (zie bijvoorbeeld Hargittai, 2002) is digitale competentie een aanjager voor verbetering van de maatschappelijke positie van mensen die het risico lopen op marginalisering. De EU heeft meerdere initiatieven ontplooid op het verwante gebied e-inclusie, een term die verwijst naar maatregelen voor het creëren van “een informatiemaatschappij voor iedereen”. Van de Ministeriële verklaring van Riga uit 2006 tot de Digitale agenda voor Europa 2010-2020, overal wordt digitale inclusie – of e-inclusie – gezien als noodzakelijke voorwaarde voor gelijkheid en sociale rechtvaardigheid: onvoldoende toegang tot digitale informatiemiddelen en kansen in de informatiemaatschappij is een belangrijke discriminatiefactor.

In 2019 publiceerde het directoraat-generaal Werkgelegenheid, sociale zaken en gelijke kansen (Europese Commissie) Inspirational practices for tomorrow’s inclusive digital world, met daarin voorbeelden van goede praktijken op het gebied van “digitale vaardigheden voor iedereen”. Over het algemeen gaan deze voorbeelden over het verbeteren van de participatie van burgers in het democratische proces van onze samenleving (bijv. coproductie van digitale, inclusieve overheidsdiensten voor iedereen), of over het opleiden en digitaal vaardig maken van specifieke bevolkingsgroepen, zoals ouderen, migranten, jongeren met een handicap en mensen die noch aan de arbeidsmarkt deelnemen noch onderwijs of een opleiding volgen (de zogeheten NEET-groep). Die specifieke doelgroepen hebben om verschillende redenen (waarom) scholing nodig. De inhoud van die scholing is deels gelijk (wat) en wordt op verschillende manieren aangeboden (hoe);

  • Ouderen. Voor ouderen met onvoldoende digitale vaardigheden is één van de grootste risico’s dat ze aansluiting missen, met grote gevolgen voor hun maatschappelijke en sociale relaties (waarom). Ouderen die niet kunnen omgaan met digitale apparaten lopen het risico in een isolement te raken, zelfs als ze hoogopgeleid zijn. Ze kunnen alledaagse taken als online bankieren of het invullen van officiële formulieren niet meer zelf en verliezen het contact met familie. Trainingen voor ouderen draaien vaak vooral om de basisbegrippen van digitale competentie die betrekking hebben op communicatie (wat). Hierbij wordt gebruikgemaakt van een aantal goede praktijken op het gebied van “peer tutoring”, waarbij de jongere de “begeleider” is en de oudere de “leerling” (hoe). Zo worden niet alleen de digitale vaardigheden verbeterd, maar wordt ook de intergenerationele verbondenheid bevorderd. Een voorbeeld is Pane e Internet, een Italiaans project dat mensen digitaal vaardiger maakt. Eén van de deelnemers is nonna Paola (oma Paola), die als 75-jarige haar smartphone beter leerde gebruiken met de hulp van Federico, een jonge student aan een technische school in Rimini (Emilia Romagna). Een ander project is Gameplay for Inspiring Digital Adoption (GIRDA), waarmee het probleem wordt aangepakt dat “veel ouderen wantrouwig staan tegenover het gebruik van digitale producten”. In Oostenrijk, Noord-Macedonië, Slovenië en het VK deden 126 mensen in de leeftijd van 57 tot 96 jaar mee aan sociale op games gebaseerde activiteiten, om meer zelfvertrouwen te ontwikkelen in het gebruik van touchscreen-technologie.
  • Migranten. Er zijn allerlei redenen waarom migranten digitaal vaardig moeten zijn, van het zoeken naar werk tot het aanvragen van een inschrijfformulier voor een taalcursus (waarom). Het bezit van digitale basisvaardigheden op het gebied van informatie en communicatie (wat) is voor hen cruciaal om onderdeel te kunnen zijn van het land waar zij worden opgevangen. In digitaal onderwijs aan migranten kan taal een barrière zijn: rolmodellen en coaching (hoe) zijn essentiële strategieën voor effectieve scholing. Er is een online catalogus met digitale methoden en mogelijkheden voor migranten en vluchtelingen, met daarin lessen over digitale vaardigheden die zijn geselecteerd in de context van het Europese initiatief MOOC4Inclusion. Een ander goed praktijkvoorbeeld is het BeuthBonus project (2015-18), gefinancierd door de Duitse overheid als onderdeel van het programma “Integratie door kwalificatie”. Dit project is er onder meer op gericht om academici met een migratieachtergrond te helpen hun arbeidssituatie te verbeteren via het systeem van open digitale badges. Deze badges zijn een erkenning van informele vaardigheden, zoals digitale competenties, die ze in de loop van hun leven hebben ontwikkeld. Aan het project deden 49 mensen mee. Na afloop waren ze het er allemaal over eens dat open digitale badges nuttig waren geweest voor het verbeteren van hun reputatie binnen het sociale medialandschap en hun kansen op het vinden van een betere baan.  
  • Jongeren met een handicap. Over het algemeen vergroot ICT de kansen van jongvolwassenen met een handicap als het gaat om toegang tot opleidingen en leren, deelname aan een belangengemeenschap en het vinden van werk (waarom). Maar om die kansen te kunnen benutten, moeten hun digitale basisvaardigheden worden verhoogd naar een gevorderd niveau (wat). Daarbij is toegankelijkheid (hoofdzakelijk maar niet uitsluitend internettoegang) wel een voorwaarde (hoe), zodat ICT-technologie een stimulans, en geen barrière, is voor de digitale participatie van deze jongvolwassenen. Ook hier weer zijn rolmodellen, begeleiding en coaching cruciaal om jongvolwassenen zodanig te ondersteunen dat ze bijdragen aan de verbetering van hun digitale omgeving, door als digitale werknemer te fungeren als graadmeter voor de toegankelijkheid van het internet. Voorbeelden op dit gebied zijn gedocumenteerd in de Digital Skills Toolkit (ITU, 2018), waarin twee ervaringen worden beschreven, één uit Egypte en één uit het VK. In Egypte lanceerde het ministerie van Communicatie en Informatietechnologie (MCIT) een programma voor een leven lang leren om mensen met een handicap te helpen bij het vinden van werk. De deelnemers werden niet alleen geschoold in digitale basisvaardigheden voor actief burgerschap, maar ook in gevorderde digitale vaardigheden op het niveau dat door IT-bedrijven wordt gevraagd. In het Verenigd Koninkrijk biedt het Discover IT programma toegang tot computers en ondersteunende technologie via 19 toegankelijke IT-centra. Deze centra worden beheerd door Leonard Cheshire Disability (een Britse liefdadigheidsorganisatie) of in een samenwerkingsverband met andere organisaties. Via een ander programma, Discover IT@Home werden IT-voorzieningen en ondersteuning bij de cliënten thuis gebracht. Tussen 2010 en 2015 deden meer dan 7.600 mensen aan deze programma’s mee. De reacties waren positief: “Ik besefte niet hoe belangrijk een computer en internet voor mij met mijn handicap konden zijn – nu weet ik dat wel… Het heeft me echt bevrijd.”
  • Jongeren met een risico op sociale uitsluiting. Voor jonge mensen die het risico lopen op sociale uitsluiting bieden school en meer algemeen het formele onderwijssysteem bij lange na niet de betrokkenheid die zij in hun gemarginaliseerde positie nodig hebben (waarom). Een effectieve strategie om de digitale competenties op het gebied van informatie, communicatie en digitale creativiteit te verbeteren (wat) kan zijn om de mogelijkheden te verkennen voor informele digitale benaderingen, die uitgaan van jongvolwassenen en een brug slaan tussen formele en informele leerervaringen (hoe). Dit is goed gedocumenteerd in bijvoorbeeld het MyMobile-project. In één van de opleidingsscenario’s doen kansarme jongvolwassenen uit het VK mee aan een mobiel leerproject voor het maken van digitale objecten en het ontwikkelen van hun vaardigheden op het gebied van mediaproductie. Een andere interessant project is Links-up, gericht op de promotie van Web 2.0-instrumenten voor sociale inclusie van volwassenen. Projectpartners organiseerden verschillende workshops, waarvan er één in het bijzonder het vermelden waard is: “Tell Your Resume”. Deze workshop draaide om een digitale oefening met storytelling, waarbij de deelnemers een multimedia-cv maakten, dat ze vervolgens online via sociale media konden verspreiden.

OER: Digital Skills & Competences for Adult Learners

3. Digitale competentie voor inzetbaarheid

In 2017 maakte het DG CONNECT van de Europese Commissie de resultaten bekend van het onderzoek ICT for Work: Digital skills in the workplace, over de transformatie van banen in de digitale economie van de EU, de mate waarin digitale technologie is doorgedrongen op de werkplek en de digitale vaardigheden die tegenwoordig worden gevraagd door werkgevers en de arbeidsmarkt. Het onderzoek onderstreept hoe de digitalisering van de economie bijdraagt aan de polarisatie van de arbeidsmarkt: aan de ene kant leidt digitalisering tot een hogere vraag naar hoogopgeleiden, die in staat zijn de nieuwe technologieën te gebruiken om hun beroepstaken uit te oefenen; aan de andere kant leidt digitalisering ook tot een lagere vraag naar laagopgeleiden. Ook hier geldt dat automatisering op basis van slimme technologie die mensen kan vervangen soms tot banenverlies leidt. Tegelijkertijd ontstaan er door het digitaliseringsproces ook nieuwe banen, waarin naast computerwerk ook cognitieve en interactieve vaardigheden nodig zijn. Verder zorgt digitalisering er ook voor dat bestaande banen veranderen. De taken die moeten worden uitgevoerd veranderen, en daarmee ook de vaardigheden die nodig zijn om bepaald werk te kunnen doen.

Recente cijfers over digitale vaardigheden en de arbeidsmarkt wijzen erop dat er een steeds grotere kloof ontstaat tussen de digitale vaardigheden die voor het werk worden gevraagd en de digitale vaardigheden die op dit moment aan de aanbodkant beschikbaar zijn. Meer specifiek: uit statistische gegevens over 2017 blijkt dat voor 85% van de banen in de EU digitale basisvaardigheden nodig zijn, terwijl 43% van de Europese bevolking over onvoldoende digitale vaardigheden beschikt (Eurostatgegevens 2017). Verder blijkt uit Eurostatgegevens hoe snel de taken van mensen die voor hun werk internet gebruiken veranderen, als gevolg van ontwikkelingen in de uiteenlopende software die op het werk wordt gebruikt: 29% van de werknemers moest voor zijn baan met nieuwe apparatuur leren werken en een deel daarvan gaf aan behoefte te hebben aan verdere scholing.

In deze veranderende situatie is DigComp gebruikt om de verschillende competentievereisten van banen te analyseren en digitale beroepsprofielen te definiëren voor de volgende sectoren (zie DigComp at Work. The EU’s digital competence framework in action on the labour market: a selection of case studies):

  • bestaande beroepen, bijvoorbeeld administratief overheidspersoneel, basisschoolleerkrachten en kleuterleiders, etc.
  • generieke bedrijfsfuncties, bijvoorbeeld operationele en industriële dienstverlening, marketing en sales, etc.;
  • generieke arbeidsomstandigheden, bijvoorbeeld ondernemer, virtueel administratief personeel, consultant voor de tertiaire sector, personeel van werkgelegenheidsdiensten;
  • nieuwe IT-intensieve banen in verschillende economische sectoren (industrie 4.0-banen in de verwerkende industrie, nieuwe digitale banen in musea) en specifieke specialistische IT-banen.

In de bovengenoemde categorieën moeten op de verschillende gebieden verschillende digitale competentieniveaus worden ontwikkeld. De casestudy’s die zijn gedocumenteerd in DigComp at Work. The EU’s digital competence framework in action on the labour market: a selection of case studies, laten dit zien. Personeel bij een werkgelegenheidsdienst moet bijvoorbeeld op alle gebieden over een gemiddeld of gevorderd competentieniveau beschikken, terwijl basisschoolleerkrachten en peuterleiders dit alleen nodig hebben op specifieke gebieden, zoals het ontwikkelen van lesinhoud of het beveiligen van apparaten. En voor digitale beroepen, zoals een curator die digitale collecties beheert, of de beheerder van een online community, is uiteraard een hoog digitaal competentieniveau op meerdere in het document besproken gebieden nodig.

Met enige aanpassing is DigComp ook gebruikt als instrument voor zelfbeoordeling en/of certificering en/of voor de ontwikkeling van opleidingsaanbod. Zo lanceerde de Baskische regering in 2012 het Ikanos-project voor de ontwikkeling van een ondersteunend leerplatform voor digitale competenties voor burgers met of zonder baan. Daarbij werd DigComp gebruikt voor de ontwikkeling van een reeks instrumenten, waaronder een zelfbeoordelingstest voor beroeps- en opleidingskeuze. Daarnaast werd DigComp ook gebruikt voor het verbeteren van de inzetbaarheid van werklozen en voor de ontwikkeling van 15 digitale beroepsprofielen, de Ikanos persoonlijke leeromgeving (PLO) voor permanente ontwikkeling van digitale competentie en het nieuwe certificeringssysteem voor digitale competenties BAIT. Vanuit het oogpunt van onderwijs en opleiding is vooral het idee van een PLO interessant: een PLO is een systeem dat “lerenden de controle en het beheer geeft over hun eigen leren. Hierbij worden lerenden ondersteund bij: het stellen van hun eigen leerdoelen en het beheren van hun eigen leren; het beheren van zowel de inhoud als het proces; het communiceren met anderen in het leerproces om leerdoelen te bereiken. Belangrijke kenmerken van PLO’s zijn de combinatie van formele én informele leerfasen tot één leerervaring, het gebruik van sociale netwerken die institutionele grenzen kunnen overschrijden, en het gebruik van netwerkprotocollen (peer-to-peer, webdiensten, syndicatie) om een reeks hulpbronnen en systemen binnen een persoonlijk beheerde ruimte met elkaar te verbinden.” (zie Persoonlijke leeromgevingen – definitie). Aangezien de digitale wereld voortdurend verandert, is het leerproces rond digitale technologie nooit klaar: mensen moeten blijven leren en “leren leren” in een door henzelf beheerde, gepersonaliseerde leerruimte.

 


OER: Digital Skills & Competences for Adult Learners


4. Suggesties voor opleiders

Zoals al vermeld in de inleidende paragraaf zijn we inmiddels toe aan versie 2.1 van DigComp. De voortdurende aanpassing van dit referentiekader is tekenend voor het dynamische karakter van digitale competentie. De ontwikkeling van informatietechnologie staat nooit stil en daarmee verandert ook steeds de kennis die over het digitale landschap moet worden geleerd. Digitale competentie is dus voor burgers een voortdurend veranderend doel, dat flexibiliteit en openheid ten opzichte van verandering vraagt. Een belangrijke les voor volwassenenopleiders die op dit gebied actief zijn, is dus dat ze zich niet louter op technische kennis of specifieke IT-instrumenten moeten richten, omdat die alweer snel verouderd zijn. In plaats daarvan moeten ze lerenden aanmoedigen om dit te benaderen als een proces van vallen en opstaan, waarbij een verkennende houding, abductieve vermogens en probleemoplossende vaardigheden worden gestimuleerd.

Met een verkennende houding wordt bedoeld dat docenten hun leerlingen moeten aanmoedigen de nieuwe software en/of digitale omgevingen met nieuwsgierigheid te benaderen – het scherm bekijken, dingen uitproberen, hypothesen formuleren over de functies die bij de pictogrammen horen. In plaats van de nadruk te leggen op het onthouden van technische procedures – wat ook een uitdaging kan zijn voor met name ouderen, moeten docenten proefondervindelijke leerprocessen aanmoedigen, waarbij fouten maken niet erg is, maar juist productief, doordat het onderzoeken van de oorzaak van een fout nieuwe, succesvolle werkmethoden kan opleveren. Het eerder genoemde GIRDA-project, waarbij social gaming wordt ingezet voor het aanleren van IT-vaardigheden, zou als voorbeeld kunnen dienen voor proefondervindelijk leren over IT, in plaats van dingen uit het hoofd te leren.

Daarnaast moeten opleiders ook abductieve processen stimuleren, waarbij gevolgtrekkingen worden gemaakt op basis van online gevonden informatie. Bovendien is surfen op internet geen lineair proces en speelt bij het raadplegen van online informatiebronnen serendipiteit een belangrijke rol. Volgens de Oxford Learner’s Dictionaries is serendipiteit het toevallig, onbedoeld plaatsvinden van iets interessants of leuks. Het heeft te maken met positief tegenover het onbekende staan of plezier halen uit toevallige ontdekkingen. Maar om orde te brengen in dit soort toevallige ontdekkingen is het vermogen om via abductie conclusies te trekken cruciaal. Volgens Peirce gaat het bij abductie om gevolgtrekkingsprocessen die leiden tot verklarende theorieën en nieuwe ideeën. Het geeft inzicht in een werkelijkheid, die daardoor beter te begrijpen wordt. Voor de internetgebruiker die online de ene na de andere bron raadpleegt, betekent dit dat hij het vermogen moet ontwikkelen om uit het brede, complexe digitale netwerk nieuwe betekenissen af te leiden (zie ook Perriault, 2002). Inspiratie voor programma’s voor informatievaardigheid kan worden gehaald uit de richtlijnen en initiatieven van de Association of College & Research Libraries (ACRL). 

Met het oog op alle uitdagingen die de digitale wereld biedt, is het tot slot belangrijk dat opleiders de ontwikkeling van probleemoplossende vaardigheden bij het gebruik van technologie stimuleren. Probleemoplossende vaardigheden spelen in twee opzichten een rol: enerzijds als het vermogen om technologische problemen op te lossen, anderzijds als het vermogen om technologische oplossingen te ontwikkelen voor problemen in het dagelijks leven. Beide kanten worden duidelijk belicht in het DigComp -referentiekader. Als probleemoplossende vaardigheden op het gebied van digitale technologie worden onder meer genoemd: het oplossen van technische problemen, van foutopsporing tot meer complexe problemen; het vaststellen van behoeften en daarop inspelende technologische oplossingen, door kritische afweging van mogelijke oplossingen; en creatief gebruik van technologie voor multimediaproductie en zelfexpressie. Voor het stimuleren van dit type vaardigheden worden benaderingen op basis van leren door te doen aanbevolen. Digitale media bieden verschillende mogelijkheden om volwassen lerenden bij het creatieve proces van multimediaproductie te betrekken. Het ontwikkelen van bijvoorbeeld een multimedia-cv, het doel bij de eerdergenoemde Links-up workshop , betrekt leerlingen bij het leren door middel van activiteiten die de lerende dwingen niet alleen tot het aangaan van technische uitdagingen, maar ook tot creativiteit en zelfexpressie.

Concluderend kunnen we zeggen dat digitale competentie niet alleen te maken heeft met technologie, maar ook – en vooral – met transversale vaardigheden die cruciaal zijn voor processen voor levenslang leren. Door het stimuleren van proefondervindelijke leerprocessen, serendipiteit, abductieve redenering en leren door te doen, kunnen docenten volwassen lerenden aanmoedigen om hun digitale competenties te verbeteren, niet alleen om actief aan de maatschappij te kunnen deelnemen, maar ook om te blijven leren en zich beroepsmatig te blijven verbeteren.



Aanbevolen leesmateriaal  

1. Voor een uitgebreidere bespreking van de vaardigheden en competenties van de 21e eeuw verwijzen we naar de rapporten en documenten op de speciale EU-website Learning and Skills for the digital era, waar ook een overzicht te vinden is van de verschillende mogelijkheden voor “open leren” die internet volwassen lerenden te bieden heeft.

2. Voor actuele informatie over de ontwikkeling van het DigComp-referentiekader en hiermee samenhangende initiatieven verwijzen we naar de EU-website DIGCOMP – Digital Competence framework for citizens.

 

 

Over de auteur

Maria Ranieri, PhD, is docent educatie, media en technologie aan de Universiteit van Florence, Italië, gespecialiseerd in de theorie en methodologie van media en technologie in het onderwijs. Ze werkte mee aan en coördineerde een aantal Europese onderzoeksprojecten op het gebied van media, leren, technologie en sociale inclusie.


 

Wat hebt u van dit open leermiddel geleerd?

Test uw kennis met deze online quiz!    https://www.surveymonkey.com/r/epale_digitalskills4adults



Klik PDF iconhier om het open leermiddel te downloaden.
Klik PDF iconhier om de videotranscriptie te bekijken.

Share on Facebook Share on Twitter Epale SoundCloud Share on LinkedIn Share on email
Refresh comments Enable auto refresh

1 - 1 van 1 weergegeven
  • afbeelding van Fernando Albuquerque Costa
    This OER seems to be very timely and very useful for all those who work with adults and value digital skills as a strategy for personal and professional development. In fact, anyone who does not have a basic set of skills in this field today is highly limited in exercising full citizenship. Hence the strategic importance of the work starting with the trainers themselves. Being aware of digital tools will be the fundamental step in order to be able to use their effective potential with those with whom we work. Whether in a professional context, in the training itself, or in any other space of relationship with others. For access to information and knowledge, for communication, to solve everyday problems ...