chevron-down chevron-left chevron-right chevron-up home circle comment double-caret-left double-caret-right like like2 twitter epale-arrow-up text-bubble cloud stop caret-down caret-up caret-left caret-right file-text

EPALE

Elektronisch platform voor volwasseneneducatie in Europa

 
 

Blogs

Leven lang ontwikkelen: een opdracht voor het bekostigd mbo?

19/12/2018
by Karel Kans
Taal: NL

Er liggen vele plannen klaar om de deelname aan Leven Lang Leren nu echt op een hoger niveau te krijgen. In dit essay betoog ik dat er een risico is dat de vele voornemens ten spijt de plannen (wederom) niet volledig van de grond zullen komen. Dit komt doordat er in de plannen een belangrijke rol voor het bekostigd mbo is weggelegd, maar dat er nog geen antwoord is op de vraag hoe de onderwijsinstellingen deze handschoen gaan oppakken. De onderwijsprofessionals in het mbo zijn niet in deze vraag meegenomen.

Essay Karel Kans, dec. 2017

In de afgelopen jaren is er veel geschreven over de stand van het Leven Lang Leren (LLL) in Nederland. Over het belang van leven lang leren bestaan weinig meningsverschillen. De teneur in rapporten is dat er door volwassenen in Nederland onvoldoende wordt geleerd. Eind 2016 en in de eerste helft van 2017 is een serie adviezen en visiedocumenten verschenen van verschillende stakeholders en adviserende organen. Doel is om maatregelen te nemen die gaan leiden tot een daadwerkelijke stijging van de deelname aan LLL. In dit essay constateer ik dat er in deze rapporten en adviezen een opdracht wordt neergelegd bij de politiek voor het creëren van randvoorwaarden en bij verschillende belanghebbenden in het veld voor de uitvoering. Een van die belanghebbenden waar wat van wordt verwacht is het bekostigd middelbaar beroepsonderwijs (mbo). In dit essay bekijk ik eerst waar de noodzaak voor zoveel aandacht voor LLL vandaan komt. Ik ga op zoek naar de rode draad in deze publicaties en ik kijk in het bijzonder naar wat de aanbevelingen uit deze rapporten kunnen betekenen voor het bekostigd mbo. Tot slot vraag ik me af of er een risico is dat maatregelen (wederom) zonder uitvoering of effect blijven.

 

Wat ging vooraf: volwassenen in Nederland leren niet

De discussie over leven lang leren is onlosmakelijk verbonden met analyses van ontwikkelingen op de arbeidsmarkt. Het gaat om verschillende met elkaar samenhangende ontwikkelingen waaronder inhoudelijke veranderingen in het werk en veranderingen in de arbeidsverhoudingen. Inhoudelijke veranderingen worden veroorzaakt door bijvoorbeeld technologie (zoals digitalisering en robotisering), veranderende marktvraag (andere bevolkingssamenstelling door vergrijzing; vraag naar maatwerk door individualisering), milieu en klimaat of wetgeving (zoals hogere kwalificatie-eisen). Dit leidt ertoe dat werk verandert of verdwijnt, maar er ook ander werk ontstaat. Hierdoor ontstaan onzekerheden voor de beroepsbevolking: banen veranderen of verdwijnen. De baan voor het leven bestaat niet (meer).

Nauw verbonden met de veranderingen in het werk zijn dan ook veranderingen in arbeidsverhoudingen, in het bijzonder de flexibilisering van de arbeidsmarkt. Een gevolg is dat verschillende onderzoekers een tweedeling op de arbeidsmarkt zien ontstaat (baanpolarisatie): middenberoepen verdwijnen en/of krijgen te maken met slechtere arbeidsvoorwaarden (meer flexcontracten, stagnerende loonontwikkeling). Werk voor hoger opgeleiden blijft wel bestaan. Ook blijft er aan de onderkant van de arbeidsmarkt werk bestaan dat moeilijk is te robotiseren of te internationaliseren (dienstverlenend werk zoals schoonmaak). Uiteindelijk werkt de tweedeling op de arbeidsmarkt door in een groeiende tweedeling in de samenleving tussen (kans)arm en (kans)rijk (Kans, 2016).

De meest gehoorde oplossing om aan dit probleem het hoofd te bieden is scholing: blijvende scholing van volwassenen om mee te kunnen groeien in de veranderingen binnen het eigen werk of om flexibel genoeg te zijn om over te stappen naar ander soort werk wanneer dit nodig of gewenst is (o.m. WRR, 2013). En daar zit een probleem: verschillende onderzoeken tonen aan dat de deelname aan leven lang leren activiteiten in Nederland te laag is (Onderwijsraad, 2014; CPB, 2016.). Laag in vergelijking met landen om ons heen, minder groeiend en daardoor achterblijvend op onze eigen ambities (Onderwijsraad 2016). Over die achterblijvende deelname valt een aantal dingen te zeggen. Ten eerste blijft scholing vooral achter bij specifieke groepen: laagopgeleiden, mensen uit lagere inkomensgroepen, zzp’ers en mensen met flexcontracten, mensen die niet werken. Niet alleen individuen zijn scholingsvragers, ook werkgevers zijn scholingsvragers voor hun personeel. Daarbij valt op dat werkgevers in het MKB overwegend minder aandacht aan scholing besteden dan grote bedrijven. Er worden verschillende redenen gegeven waarom er vanuit deze groepen weinig vraag is naar scholing. Gewezen wordt onder meer op het ontbreken van financiële middelen, tijd en scholingsangst bij degenen die in het verleden moeite hebben gehad met onderwijs. De oorzaak van de lage scholingsdeelname wordt niet alleen aan de vraagzijde van de scholingsmarkt gezocht, maar ook aan de aanbodzijde. Zo constateert de OESO dat er in Nederland onvoldoende scholingsaanbod is gericht op volwassenen (Kans, 2016). Aanbieders van scholing stellen zelf dat er wel voldoende aanbod is: er is een grote particuliere markt. Maar aanbod volgt vraag, je moet dus iets doen aan vraagstimulering (interview NRTO). Is hier sprake van een impasse?

 

Aan de slag met leven lang ontwikkelen

Een behoorlijke rij aan adviezen, onderzoeken en papers heeft eind 2016 en in 2017 het licht gezien waarin adviesorganen en stakeholders in het leven lang leren zich uitlaten over wat er nodig is om verder te komen dan het belang benadrukken en probleemanalyses te maken. Uiteraard werden in de rapporten uit het verleden ook aanbevelingen gedaan voor verbetering van de deelname aan LLL. De SER heeft hiervan een analyse gemaakt, en constateert dat “veel van de geadviseerde maatregelen zijn weliswaar overgenomen, maar werden niet voortgezet of snel weer teruggedraaid en hebben niet geleid tot grote groei van deelname van volwassenen aan scholingsactiviteiten” (SER, 2017). Zijn er redenen om aan te nemen dat het nu beter zal gaan? In het hierna volgende ga ik in op de antwoorden die gegeven worden in deze adviezen op de hiervoor geschetste problematiek. Op enkele adviezen ga ik dieper in om te onderzoeken aan de rol die hierin voor het bekostigd mbo voorzien is. Het betreft onder meer adviezen van de Onderwijsraad, SER en Commissie Vraagfinanciering, namens de opleiders visiedocument van de MBO Raad en de NRTO en onderzoek van het SCP. In oktober volgde nog het regeerakkoord.

In de verschillende adviezen die zijn uitgebracht is er steeds aandacht voor het bekostigd onderwijs. De Onderwijsraad doet eind 2016 drie aanbevelingen die de deelname aan leven lang leren moeten verbeteren: het versterken van de regionale aanpak, stimuleren van eigen verantwoordelijkheid en het ontwikkelen van een persoonlijk budget voor post initieel leren. De onderwijsinstellingen komen vooral aan bod in de eerste aanbeveling. Om een leven lang leren en de brede doelstelling ervan goed vorm te kunnen geven, pleit de Onderwijsraad voor meer (regionale) samenhang in de aanpak én voor betrokkenheid van alle partijen: middelbaar opgeleiden zelf, werkgevers, onderwijsinstellingen en overheid. Deze aanbeveling heeft echter niet nadrukkelijk betrekking op het creëren van aanbod voor volwassenen, maar eerder op curricula die goed aansluiten op de vraag van het regionale bedrijfsleven en tevens de voorbereiding van studenten op een leven lang leren. Het middelbaar beroepsonderwijs moet de aanzet geven voor vakmanschap dat voortdurend in beweging is (Onderwijsraad 2016).

Een tweede belangrijk advies komt van de SER, en daar ga ik dieper op in (SER, 2017). Ook de SER doet drie aanbevelingen, namelijk de versteviging van de infrastructuur voor leven lang ontwikkelen, ondersteuning van de leervraag en vorming van een leercultuur. Om invulling te geven aan de aanbevelingen ziet de SER een belangrijke rol voor particuliere en bekostigde opleiders in het mbo.

De rol van het bekostigd mbo bij de eerste aanbeveling, het verstevigen van de infrastructuur, heeft betrekking op het aantrekkelijk maken van de opleidingen voor werkenden door meer maatwerk te bieden en opleidingen beter te laten aansluiten op de leerbehoefte en mogelijkheden van werkenden. Beoogde veranderingen hebben betrekking op meerdere instroommomenten, toegankelijkheid voor 23-plussers , versnelde en flexibele trajecten waarbij rekening wordt gehouden met wat mensen al kunnen, waardoor de opleiding kan worden verkort. Ook is de rol van de onderwijstelling in de regio hierbij van belang in de samenwerking met regionale partners, om in die samenwerking aandacht te besteden aan bijvoorbeeld duaal en informeel leren. De SER vindt het belangrijk dat het publiek bekostigd onderwijs beter wordt gefaciliteerd om trajecten voor volwassenen te kunnen ontwikkelen en dat belemmeringen in wet- en regelgeving worden weggenomen. Bijvoorbeeld voor het aanbieden van deeltrajecten en om opleidingen te organiseren met meer instroommomenten en verschillende instapniveaus. Hier ligt een taak van de overheid.

Aan de tweede aanbeveling, de ondersteuning van de leervraag, wil de SER invulling geven met twee belangrijke instrumenten: het trekkingsrecht en de ontwikkelrekening. In het advies staan twee adviezen centraal: het trekkingsrecht en, vergelijkbaar met het advies van de onderwijsraad, de ontwikkelrekening. De SER maakt een directe verbinding tussen het trekkingsrecht en het onderwijsaanbod van alle opleiders: “Door werkenden ook de mogelijkheid te bieden om onder het trekkingsrecht opleidingen in deelcertificaten te volgen bij alle erkende onderwijsinstellingen, wordt meer maatwerk mogelijk en wordt het aantrekkelijker om te blijven leren”, aldus de SER. De SER wil bevorderen dat initiatieven voor deelcertificaten bij alle instellingen worden ontwikkeld. De ontwikkelrekening is voor de ontwikkeling buiten het trekkingsrecht en is bedoeld ontwikkeling die niet functiegericht is of gericht is op basisvaardigheden.

Bij de derde aanbeveling, het stimuleren van een leercultuur, speelt het benutten van informeel leren een grote rol. Hoewel de rol van onderwijsinstellingen hier niet nadrukkelijk wordt benoemd, hebben we al gezien dat het verstevigen van de infrastructuur het overleg met het afnemend beroepenveld in de regio van belang is, en dat er daarbinnen ook aandacht moet zijn voor duaal en informeel leren.

De SER verwijst in dit advies ook naar zijn eerdere adviezen, waarin gesteld werd dat de infrastructuur van de bekostigde instellingen moet meer worden benut, zowel in het middelbaar beroepsonderwijs (met name de beroepsbegeleidende leerweg) als voor het (deeltijd) hoger onderwijs. Verder stelt de SER dat mbo-instellingen op meerdere manieren voordeel kunnen halen uit het ontwikkelen van aanbod voor volwassenen. Het belang zit ten eerste in de grote additionele markt. We zien dat vooral in krimpgebieden het nodig is voor mbo-instellingen om nieuwe markten te ontwikkelen, vanwege de dalende aantallen reguliere studenten. De SER noemt ook inhoudelijke en organisatorische facetten die de postinitiële scholing voor het bekostigd mbo interessant maken. Het biedt instellingen namelijk de mogelijkheid om indringend met mensen uit de praktijk samen te werken. Het verstevigt op verschillende manieren de verbinding tussen theorie en praktijk en opleiding en praktijk. Tevens ziet de SER het werken voor de postinitiële markt als een extra prikkel om maatwerk te ontwikkelen. Het belang van een modulair en maatwerk aanbod wordt voelbaar.

De SER wijst wel op de mogelijke belangentegenstellingen tussen publiek bekostigde instellingen en private instellingen. Een ongelijk speelveld, waarbij geld voor het initieel onderwijs ten goede komt aan marktactiviteiten waardoor concurrentievervalsing zou ontstaan moet, worden voorkomen. De SER stelt dat private opleidingen hun aanbod zouden moeten beperken tot rendabele opleidingen voor studenten die weinig begeleiding vragen.

De commissie vraagfinanciering mbo, ook wel commissie Sap, heeft advies aan de minister van OCW uitgebracht over “de uitwerking van vraagfinanciering in het middelbaar beroepsonderwijs in het kader van permanent leren, inclusief het in kaart brengen van de voor- en nadelen van de mogelijke varianten …”.  De commissie wijst op drie financieringsvarianten: fiscale faciliteiten (zoals scholing als aftrekpost), uitgavenregelingen (zoals de scholingsvoucher) en trekkingsrechten (zoals de individuele leerrekening). De commissie ziet de  individuele leerrekening als het meest kansrijke instrument om een leven lang leren van mensen met een opleiding tot en met mbo-niveau 4 te stimuleren. Daarbij stelt de commissie wel dat het instrument ingebed moet zijn in een totaalaanpak. Dit pakket dient naast de individuele leerrekening te bestaan uit nog vier elementen, waarvan ik er twee noem: regionale ondersteuning met landelijke regie en het benutten van alle vormen van leren.

De regionale samenwerking heeft direct betrekking op de onderwijsinstellingen. Regionale ketenpartners hebben drie belangrijke taken bij het stimuleren van een leven lang leren: 1. actieve, individuele ondersteuning op maat bieden, 2. anticiperen op regionale arbeidsmarktontwikkelingen en 3. scholingsmogelijkheden stimuleren. Er is een impuls nodig waar de partners elkaar nog onvoldoende weten te vinden.

Ook in het benutten van alle vormen van leren ziet de commissie Sap een rol voor het mbo. Erkende bekostigde en niet-bekostigde instellingen moeten gestimuleerd worden maatwerktrajecten voor volwassenen te realiseren. De commissie formuleert dit als volgt: “De commissie doet een beroep op onderwijsinstellingen om maatwerk te leveren en zo het scholingsaanbod af te stemmen op de behoeften en mogelijkheden van volwassenen.” Het is wel aan de overheid om hiervoor de randvoorwaarden te creëren, bijvoorbeeld financieel (een vierjarig programma) en met versoepeling in wetgeving. Het is tegelijkertijd een “gedeelde verantwoordelijkheid van de overheid, de werkgevers, de mensen zelf en de opleidingsinstellingen” (Commissie vraagfinanciering mbo, 2017).

 

De adviezen samengevat

De adviezen duiden op een behoorlijke overeenstemming over wat er moet gebeuren om de deelname aan LLL op een hoger plan te brengen.  De adviezen vallen onder drie noemers samen te vatten:

  1. Adviezen met betrekking tot de vorm van het onderwijs en leren, namelijk het ontwikkelen van maatwerk voor volwassenen. Concreet betekent dit in de eerste plaats flexibele trajecten die in mindere mate dan nu het geval is gebonden zijn aan tijd of plaats van het onderwijs. Daarnaast gaat het om de mogelijkheid tot certificering van kleinere eenheden dan volledige opleidingen. In de derde plaats gaat het om het gebruik maken van andere vormen van leren, in het bijzonder het leren op de werkplek. Daaraan gekoppeld is de erkenning van dat informele leren.
  2. Adviezen met betrekking tot de financiering van het leren voor het individu. Hierbij wordt gewezen op trekkingsrecht en persoonlijke ontwikkel- en leerrekeningen. Het trekkingsrecht onderscheidt zich van de andere ontwikkelrekeningen doordat het gericht is op de gebruikmaking van het bekostigd onderwijs. Vergeleken met andere financieringsmogelijkheden (fiscale regelingen, vouchers) krijgt de ontwikkelrekening de voorkeur.
  3. Adviezen met betrekking tot het intensiveren van de regionale samenwerking. Deze samenwerking dient ten eerste de responsiviteit van het reguliere onderwijs en ten tweede de ontwikkeling van postinitieel onderwijsaanbod in samenwerking met regionale partners. Benadrukt wordt dat de ontwikkeling van postinitieel aanbod met partners in de regio de responsiviteit van het reguliere onderwijs kan versterken.

 

Wat zegt het regeerakkoord?

De coalitiepartners lijken de adviezen ter harte te hebben genomen. Uit het regeerakkoord “Vertrouwen in de toekomst” blijkt ten eerste dat het kabinet wil inzetten op het realiseren van een individuele leerrekening, in plaats van fiscale regelingen. Het kabinet wil dat dit wordt uitgewerkt met sociale partners en O&O-fondsen. Opvallend is tegelijkertijd ook dat de experimenten met vraagfinanciering die al in het hoger onderwijs lopen worden uitgebreid naar het mbo. Dit zijn experimenten gebaseerd op een voucherregeling. Het kabinet lijkt dus geen eenduidige keuze te maken voor de leerrekening. Verder wordt ook de regio genoemd, met name met als doel het zorgen voor een opleidingsaanbod met een goed arbeidsmarktperspectief.

Kortom, het lijkt erop dat werk gemaakt zal worden van de uitvoering van (een deel) van de adviezen. Van het mbo zal er dus wat worden verwacht. Ik eindig met een laatste kritische beschouwing over de kans dat, om met de SER (2017) te spreken, maatregelen niet (worden) voortgezet of snel weer teruggedraaid en niet zullen leiden tot grote groei van deelname van volwassenen aan scholingsactiviteiten.

 

De werkvloer van het mbo

Zowel particuliere als private opleiders tonen zich bereid de handschoen op te pakken om postinitiele scholing verder te ontwikkelen, maar geven ook aan dat zij dit niet alleen kunnen. De mbo-instellingen stellen in het position paper van de MBO Raad dat zij willen bijdragen aan het weerbaar maken en houden op de arbeidsmarkt van jongeren, niet-werkenden en werkenden (starters, herstarters en doorstarters).  In gezamenlijkheid met bedrijfsleven en de overheid in de regio moet een kennisinfrastructuur onderhouden worden die een leercultuur waar blijvend leren  logisch is (MBO Raad 2017). De particuliere onderwijsinstellingen richten zich in hun position papers, die samen met partners uit onder meer de flexbranche, re-integratie en loopbaandienstverlening zijn opgesteld, vooral op de financiering  van blijvende ontwikkeling via persoonlijke ontwikkelrekeningen. Opleiders en andere arbeidsmarktdienstverleners zorgen voor het maatwerk  (NRTO e.a. 2016 en 2017).

Het onderzoek van het SCP (2017) onderscheidt zich van de andere document doordat uitgebreid met onderwijsprofessionals in het mbo veld is  gesproken. Insteek hierbij was de responsiviteit van het (reguliere) onderwijs. De door onderwijsprofessionals meest genoemde methode hiervoor is het zich op de hoogte stellen van de nieuwste ontwikkelingen door samenwerking met het bedrijfsleven en met (andere) kennisinstellingen. Volgens het SCP is de samenwerking vooral gericht op het optimaliseren van de aansluiting tussen opleiding en arbeidsmarkt. Ook wordt de samenwerking volgens de meeste professionals ook gebruikt om nieuwe kennis en inzichten te benutten voor het actualiseren van het onderwijs- en opleidingsaanbod. Docenten vinden het belangrijk om zich te informeren, op stagebezoek te gaan, en deel te nemen aan projecten en cursussen om op de hoogte te blijven van nieuwe ontwikkelingen in hun branche of op hun terrein. De kennis die ze op die manier opdoen, wordt vooral benut voor eigen onderwijs of ontwikkeling, of informeel gedeeld met een of meer collega’s.

Wat opvalt is dat het werken aan onderwijsaanbod voor werkenden niet genoemd wordt als een instrument om het reguliere onderwijs responsiever te maken, een mechanisme dat door de SER wordt gesuggereerd. Leven lang leren speelt onder onderwijsprofessionals een rol, maar vooral als iets waar je de reguliere student op moet voorbereiden. Het onderzoek wijst er tegelijkertijd ook op dat onderwijsprofessionals meer zorgen hebben dan responsief beroepsonderwijs of het bedienen van andere dan de reguliere doelgroep. Het mbo heeft naast het opleiden voor de arbeidsmarkt nog twee kerntaken: het opleiden voor vervolgonderwijs en de taak op het gebied van burgerschap. Ook dienen onderwijsprofessionals rekening te houden met de diversiteit in de samenstelling van de leerlingenpopulatie in het mbo (mogelijkheden, interesses, talenten). Mbo professionals vragen ook om rust nadat zij met een enkele omvangrijke wijzigingen te maken hebben gehad (nieuwe kwalificatiestructuur, de introductie van keuzedelen). Het is dus maar de vraag in hoeverre onderwijsteams hun blik (ook) gericht hebben op werkenden. Van een onderwijsmanager is in gesprek over het zoeken van verbinding met het ontwikkelen van postinitieel aanbod door mij weleens mij weleens de verzuchting gehoord: “mijn CvB wil hier liefst morgen mee starten, maar ik krijg mijn team niet mee.” In een gesprek op dezelfde instelling gaf een accountmanager vanuit het contractonderwijs aan de opdrachten die hij uit het bedrijfsleven krijgt moeilijk intern kwijt kan.

 

Conclusie

De adviezen om de deelname aan LLL te stimuleren zijn behoorlijk eenduidig. De voorgestelde maatregelen die in samenhang moeten worden uitgevoerd, zijn in te delen in drie thema’s. Ten eerste moet er meer flexibiliteit komen in het onderwijs- of scholingsaanbod, zodat werkenden hier beter gebruik van kunnen maken. Hieronder valt ook het benutten van andere leervormen, in het bijzonder informeel leren of werkplekleren en het erkennen daarvan. Ten tweede dient de vraag naar dit aanbod ondersteund te worden door financiering middels een persoonlijke ontwikkelrekening en het beter mogelijk maken het trekkingsrecht te benutten. Ten derde moeten partners in de regio de samenwerking intensiveren ten behoeve van de responsiviteit van het beroepsonderwijs en het ontwikkelen van postinitieel aanbod. Het is de bedoeling dat onder meer de bekostigde mbo instellingen dit aanbod gaan ontwikkelen. Daar ligt voor deze scholen een belangrijke uitdaging. De MBO Raad onderschrijft deze ambitie. Het is sterk de vraag of deze ambitie ook op het niveau van de onderwijsteams waar te maken is. Onderwijsprofessionals zijn vooral gericht op de reguliere student, een doelgroep die op zichzelf al heel divers is, en lijken na de verschillende ingrijpende wijzigingen in het stelsel meer behoefte te hebben aan rust dan aan het ontwikkelen van onderwijsaanbod voor werkenden.  

 

Bronnen

Commissie vraagfinanciering mbo (2017). Doorleren werkt.

CPB (2016). Kansrijk onderwijsbeleid.

Kans, K., e.a. (2016). Leven lang leren. Perspectief vanuit het beroep .

MBO Raad (2017). Mbo biedt kansen voor starters, herstarters en doorstarters.

NRTO e.a. (2016). Iedereen aan de slag.

NRTO e.a. (2017) Aan de slag met leven lang ontwikkelen.

Onderwijsraad (2016). Vakmanschap voortdurend in beweging

SCP (2017). Beroep op het mbo.

SER (2017). Leren en ontwikkelen tijdens de loopbaan.

WRR (2013). Naar een lerende economie.

Labels:
Share on Facebook Share on Twitter Epale SoundCloud Share on LinkedIn