chevron-down chevron-left chevron-right chevron-up home circle comment double-caret-left double-caret-right like like2 twitter epale-arrow-up text-bubble cloud stop caret-down caret-up caret-left caret-right file-text

EPALE

Elektronisch platform voor volwasseneneducatie in Europa

 
 

Blogs

EPALE LongReads: Neemt het geletterdheidsniveau van volwassenen af?

09/12/2016
door NSS EPALE Nederland
Taal: NL
Document available also in: EN

Een van de dingen die me het meest verbaasden toen ik me ging bezighouden met de nieuwste OESO-gegevens over de vaardigheden van volwassenen was dat zich nauwelijks veranderingen hadden voorgedaan in het totale geletterdheidsniveau in de landen die hadden deelgenomen aan zowel PIAAC (het programma voor de internationale beoordeling van competenties van volwassenen uit 2012) als IALS (een internationaal onderzoek naar geletterdheid van volwassenen uit de jaren 1990). In een aantal landen was zelfs sprake van een lichte gemiddelde daling.

 

 

Ik wilde beginnen met het verifiëren van de algemene tendens zonder me te baseren op uitsluitend gemiddelden of uitersten. Op basis van waartoe mensen in staat zijn, zoals blijkt uit de verschillende geletterdheidsniveaus, besloot ik uit te gaan van de verhouding tussen volwassenen op niveau 2 of lager en volwassenen op niveau 3 of hoger bij zowel PIAAC als IALS. Het omslagpunt is enigszins arbitrair, maar het is duidelijk dat mensen die scoren op niveau 2 of lager een substantieel lager vaardigheidsniveau in geletterdheid hebben dan degenen die scoren op niveau 3 of hoger. Het onderscheid tussen de niveaus is vastgelegd in de Skills Outlook 2013 van de OESO. Kortom: mensen die scoren op niveau 2 zijn geletterd doordat ze aantonen dat ze in staat zijn om twee of meer gegevens samen te voegen of gemakkelijk identificeerbare informatie te vergelijken bij het reageren op tekstuele prikkels. De kans dat mensen fouten maken is echter groter wanneer sprake is van meerdere afleiders of van aannemelijke maar onjuiste gegevens, of wanneer ingewikkeldere conclusies nodig zijn. De vragen luiden dus: waren er in 2012 meer mensen die scoorden op dit niveau of zelfs lager vergeleken met de jaren 1990 en zo ja, waarom? Bij het beantwoorden van deze vragen heb ik voor deze post de belangrijkste resultaten samengevat in Tabel 1 en Figuur 1.

Tabel 1. Veranderingen in nationale geletterdheidsprofielen en macrodrivers die deze profielen beïnvloeden

 

Bron: PIAAC (2012) and IALS (1990s).


Aan de hand van Tabel 1 zien we dat bij de 12 landen die deelnamen aan zowel PIAAC als IALS en waarvan ik de gegevens op dit moment gemakkelijk via mijn computer kan benaderen, dat het antwoord op de eerste vraag inderdaad 'ja' luidt, enkele landen uitgezonderd (kolom 1-2). In het algemeen lijkt PIAAC ons duidelijk te willen maken dat de vaardigheid in geletterdheid afneemt, of op zijn minst dat het niet zo voor de hand ligt dat ze zou toenemen als er meer in onderwijs zou worden geïnvesteerd. Uitgaande van een relatief dieptepunt in de jaren 1990 springt Polen eruit als het enige land waar de totale vaardigheid in geletterdheid van de volwassen bevolking substantieel is verbeterd. Uit de resultaten blijkt ook dat de totale vaardigheid in geletterdheid in Ierland en het Verenigd Koninkrijk niet veel is afgenomen, noch verbeterd. Dit betekent in principe dat ongelijkheid in geletterdheid in de overige 9 landen is toegenomen (kolom 3). In de Scandinavische landen is de toename van het aantal volwassenen op niveau 2 of lager zeer groot, namelijk meer dan 15 procentpunten (kolom 4).

Wat zijn de mogelijke veranderingen op macroniveau die hieraan ten grondslag liggen, en dan vooral in het licht van extra investering in hoger onderwijs? Volgens PIAAC en IALS kunnen we ervan uitgaan dat het percentage diploma's voor het hoger onderwijs in de meeste landen is toegenomen met meer dan 10 procentpunten (kolom 5). De VS zijn de enige uitzondering, waarschijnlijk vanwege een toch al hoger niveau van diploma's voor het hoger onderwijs in de jaren 1990. Om dezelfde reden droeg Zweden niet sterk bij aan het aandeel volwassenen met diploma's voor het hoger onderwijs en dat verklaart deels waarom het aantal volwassenen dat scoort op lagere niveaus in Zweden onevenredig is toegenomen. Italië wordt daarentegen nog altijd gekenmerkt door relatief lage niveaus van diploma's voor het hoger onderwijs, wat overeenkomt met het grote aandeel volwassenen dat zowel in 2012 als in de jaren 1990 scoorde op lagere niveaus.

Een andere factor op macroniveau waarvan je zou kunnen verwachten dat geletterdheid erdoor toeneemt, is de opkomst van kenniseconomieën. Uiteraard lijkt de toename van diploma's gepaard te gaan met kennisbanen. Toch zou je verwachten dat de aanwezigheid van beide zeker bijdraagt aan het totale bekwaamheidsniveau (althans voor een groeiend deel van de bevolking), omdat het de ontwikkeling van geletterdheid zou versterken of op zijn minst cognitieverlies zou beperken naarmate mensen ouder worden - en dat is juist zo belangrijk voor de vaardigheid in geletterdheid. Met uitzondering van Finland en Zweden, waar al in de jaren 1990 sprake was van zeer grote aantallen kennisgerichte banen, neemt het percentage leidinggevende, gespecialiseerde en technische functies inderdaad toe, in de meeste landen met meer dan 10 procentpunten (kolom 6).

Als diploma's en kennisbanen geletterdheid vermoedelijk versterken, wat kan dan de reden zijn van achteruitgang? Een voor de hand liggende factor die kan leiden tot een algehele achteruitgang van geletterdheid is de verandering van het aandeel laaggeletterde immigranten in de taal van het gastland (kolom 7). Hiermee springen de Scandinavische landen er duidelijk uit. Zij horen tot de landen met de meeste immigranten die doorgaans niet bijzonder hoog scoren in de geletterdheidstest in PIAAC. Daarbij moet worden opgemerkt dat laaggeletterdheid in deze context betrekking heeft op geletterdheid in de taal van het gastland. Dit is belangrijk, omdat veel migranten, en dan vooral in Europa, vaak niet alleen geletterd zijn in hun eigen taal, maar ook in het Engels, terwijl ze niet noodzakelijkerwijs geletterd zijn in de plaatselijke taal. Toch doen zij het goed in het gastland, vooral in de hooggeschoolde sector. PIAAC houdt echter te weinig rekening met dit fenomeen. Bovendien staat hiermee het nut van een beperkte benadering van geletterdheid in de landstaal ter discussie, met name in kleine, open economieën in niet-Engelssprekende landen die wel volledig zijn geïntegreerd in de 'Engelssprekende' wereldeconomie. Interessant genoeg hebben Ierland en het Verenigd Koninkrijk (beide Engelssprekend) op dit punt het meest geprofiteerd van immigranten die doorgaans goed scoren bij PIAAC (kolom 8). Dat verklaart deels waarom zij tot de weinige landen horen waar het geletterdheidsprofiel niet is afgenomen.

Een minder voor de hand liggende factor die geletterdheid zou kunnen terugdringen is de geletterdheidspraktijk. We zouden verwachten dat de geletterdheidspraktijk juist stijgt als het gemiddelde onderwijsniveau toeneemt en er in de economie meer veeleisende, hooggekwalificeerde banen beschikbaar zijn. Maar is dat ook zo? Volgens de PIAAC-gegevens niet. In enkele (nagenoeg) identieke vragen in zowel IALS als PIAAC werd respondenten gevraagd hoe vaak ze op hun werk brieven, memo's, e-mails, rapporten, artikelen, tijdschriften, vakbladen, handboeken, naslagwerken of catalogi lazen. De Likert-categorieën waren in beide onderzoeken niet identiek, maar samenvoeging in IALS leverde de volgende vergelijkbare categorieën op: minimaal eenmaal per week, minder dan eenmaal per week en nauwelijks of nooit. Op enkele uitzonderingen na blijkt uit de resultaten in Tabel 1 een sterke afname van het aandeel mensen dat aangaf zich eenmaal per week bezig te houden met ten minste twee vormen van lezen en minder dan eenmaal per week met een andere. Ik controleerde dat aan de hand van het type functie en het lijkt erop dat in veel landen sprake is van deze neergaande ontwikkeling, zelfs in hooggekwalificeerde banen. Helaas is slechts een beperkt aantal maatregelen op het gebied van de geletterdheidspraktijk op het werk vergelijkbaar tussen IALS en PIAAC, en je kunt niet nagaan of het patroon hetzelfde is voor de geletterdheidspraktijk buiten het werk. En ook al was dat wel het geval, dan nog is het erg verwarrend en is het niet duidelijk of alle gegevens betrouwbaar zijn, aangezien ze gebaseerd zijn op zelfrapportage door individuen. Toch blijkt dat deze observatie helpt bij het geven van een nagenoeg perfecte verklaring van de totale afname van nationale geletterdheidsprofielen. Als we de wijzigingen in procentpunten in de kolommen 5 tot en met 9 optellen (waarbij we van kolom 7 een negatief getal maken) en dit leggen naast de wijziging in procentpunten volwassenen die scoren op niveau 3 of hoger, dan is de correlatie nagenoeg perfect (zie Figuur 1).

Hierdoor rijst de vraag of technologische verandering leidt tot opwaardering of verlies van vaardigheden. In het boek Monopoly and Labor Capital: The Degradation of Work in the 20th Century (1974) betwijfelt Braverman de veronderstelling dat opwaardering van vaardigheden gepaard gaat met technologische vooruitgang. Sterker nog: hij suggereert dat dit leidt tot verlies van vaardigheden. Hij noemt de verdeling van arbeidstaken, aangescherpte controle door werkgevers door middel van wetenschappelijk management met als gevolg werken onder niveau en het gebruik van computertechnologie om niet-handmatig werk te standaardiseren en te automatiseren. Ondanks uitvoerige discussies onder wetenschappers blijft het bewijs voor neiging tot het verlies of juist opwaardering van vaardigheden ambigu. Dit is deels te wijten aan uiteenlopende interpretaties van vaardigheden en aanzienlijke verschillen in de manier waarop de vraag naar een bepaalde vaardigheid werd beoordeeld. Ofschoon er nauwelijks bewijs is voor het veelvoorkomende verlies van vaardigheden zoals Braverman dat schetst, kan het verlies van vaardigheden niet worden uitgesloten. Het is waarschijnlijk dat zich een zekere mate van verlies van vaardigheden voordoet naarmate technologische verandering van invloed is op productie- en arbeidsprocessen. Het kan zelfs nét voldoende zijn om anderszins verwachte verbeteringen in de loop van de tijd te verwerken in profielen voor geletterdheidsvaardigheid op landelijk niveau.

Alhoewel volwasseneneducatie een krachtige manier is om de ontwikkeling en de verbetering van geletterdheid te stimuleren, heb ik de sterke stijging van deelname in de periode tussen 2012 en de jaren 1990 (kolom 10) niet meegenomen in de berekening voor Figuur 1, aangezien er een belangrijke verwarrende relatie bestaat tussen volwasseneneducatie en het beschikken over een laag dan wel een hoog kennisniveau. Bovendien is volwasseneneducatie veel sneller gegroeid onder degenen die al hooggekwalificeerd zijn, wat zelfs kan bijdragen aan toenemende ongelijkheid bij de toegang tot leermogelijkheden. In het boek The Political Economy of Adult Learning Systems (Bloomsbury Publishing), dat verschijnt op 12 januari 2017, ga ik hier gedetailleerd op in.

Figuur 1. Vrijwel perfecte correlatie tussen veranderingen in nationale geletterdheidsprofielen en macrodrivers die deze profielen beïnvloeden
 

Bron: PIAAC (2012) and IALS (1990s).

Het lijkt erop dat als we de gegevens moeten geloven en als geletterdheid inderdaad wordt erkend als een mensenrecht en al zijn verdiensten en waarden volledig moeten worden onderkend, we beleidsmakers zouden moeten stimuleren het volgende te doen:

 

  • Investeer in kwaliteitseducatie op alle niveaus
  • Investeer in het scheppen van goede banen die geletterdheid en leervermogen tot op hoge leeftijd bevorderen
  • Stimuleer de arbeidsmarkt en branchepraktijken die routine en automatisering van arbeidstaken proberen te vermijden, te beperken of te compenseren – dit kan zelfs van toepassing zijn op vermoedelijk hooggekwalificeerde banen
  • Bevorder actief ouder worden, inclusief lichamelijke, maatschappelijke en geestelijke activiteit.


Richard Desjardins is universitair hoofddocent Political Economy of Education aan de University of California in Los Angeles. Van 2010 tot 2013 werkte hij bij het Directoraat Onderwijs van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) aan het Programme for the International Assessment of Adult Competencies (PIAAC) en de Skills Strategy en hij was universitair hoofddocent Comparative Social Science aan de universiteit van Aarhus. Verder is hij coredacteur van het European Journal of Education.

Share on Facebook Share on Twitter Epale SoundCloud Share on LinkedIn
Refresh comments Enable auto refresh

1 - 1 van 1 weergegeven
  • afbeelding van David Mallows

    This is really interesting analysis that arrives at some thought-provoking conclusions. Your critique of PIAAC as a 'narrow national-language based approach to literacy' is particularly relevant highlighting as it does the language and literacy resources of many migrants rather than the deficits more commonly in focus.

    However, I think it is your analysis of the available practices data that I found most helpful. Your conclusion that people are reading and writing less is intriguing and warrants further thought. I don't think that the current test items are adequate to really understand what people do with their literacy skills - we need far more research on this, but if the type of literacy that is assessed in PIAAC is in decline, what are the demands on adults reading and writing skills? Do we really live in a world that is less mediated by text? Or are we just more proficient at navigating that text in ways that we do not recognise as reading and writing?