chevron-down chevron-left chevron-right chevron-up home circle comment double-caret-left double-caret-right like like2 twitter epale-arrow-up text-bubble cloud stop caret-down caret-up caret-left caret-right file-text

EPALE

Pjattaforma Elettronika għat-Tagħlim għall-Adulti fl-Ewropa

 
 

Blog

Projecten Alfa naar Werk bieden een oplossing voor probleem in West-Vlaanderen

14/11/2019
minn Karine Nicolay
Lingwa: NL

/nl/file/fototinepngfoto_tine.png

Tine Baert is educatief directeur van CBE Open School Kortrijk – Roeselare. Met de projecten ‘Alfa naar Werk’ werkt haar centrum mee aan een oplossing voor een bestaande nood in de regio. Op de trefdag ‘Geletterdheid op het werk: w@ is d@?’ vertelde zij er meer over.

 

EPALE: Hoe zijn de projecten Alfa naar Werk tot stand gekomen?

Tine Baert: Twee jaar geleden zaten wij in West-Vlaanderen met een probleem. Er waren in de regio heel veel laaggeletterde anderstaligen, en velen van hen waren zelfs analfabeet of hadden echt heel weinig lees- en schrijfvaardigheden, ook in hun moedertaal. We hadden wel opleiders die zeer onderlegd waren, maar die hadden niet veel ervaring met deze doelgroep en wisten er zich geen raad mee. Daarbij kwam dat we in de regio bedrijven hadden die met de handen in het haar zaten omwille van de krapte op de arbeidsmarkt, voornamelijk voor jobs die nog maar weinig Vlamingen willen doen. Het gaat dan om werken in ploegen, diepvrieswerk, werken op het veld… Zij hoorden dat er mensen waren die dat wel wilden doen maar (nog) niet de juiste vaardigheden hadden. We zijn dan gaan samenzitten met VDAB en een aantal sectorfondsen, bemiddelende organisaties die de match maken, en wij, Open School (CBE). Voor ons was het heel belangrijk dat we de cursist altijd centraal zouden blijven stellen. Iedereen was het er mee eens dat we met mensen werken die willen werken, maar een aantal vaardigheden missen. Ons doel zou zijn om ervoor te zorgen dat die mensen verder kunnen. Hieruit kwamen de projecten Alfa naar Werk uit voort. En we kunnen zeggen dat die voor een oplossing gezorgd hebben.

Kan je wat meer vertellen over de doelgroep?

Het zijn zeer traaglerende anderstaligen. We willen ons richten op cursisten die alfa-trajecten hadden gevolgd en dus zeer weinig kunnen lezen en schrijven. Na een tijdje trokken we dit wel open naar NT2-cursisten uit de basiseducatie, dus mensen die wel wat kunnen lezen en schrijven. Dit omdat de instapvoorwaarden voor bepaalde opleidingen toch iets hoger ligt, maar ook omdat de grens tussen alfa-cursisten en zeer laaggeletterde NT2 cursisten niet altijd zo duidelijk is. Ook mensen die niet laaggeletterd zijn, kunnen dezelfde problemen hebben. Die cursisten worden in West-Vlaanderen niet toegelaten in een reguliere opleiding van de VDAB omdat de taalbarrières te groot zouden zijn. De cursisten hebben extra coaching en omkadering nodig, maar ze moeten ook niet helemaal aan het handje gehouden worden, want ze zaten al aan het einde van een mondeling 1.2-traject.

 

/nl/file/taalniveaupngtaalniveau.png

 

Als je echt analfabeet bent, zit je algauw aan 4 jaar om tot mondeling 1.2. te geraken en schriftelijk 1. Dus dat is een enorme berg. Als je dan aan deze mensen zou zeggen dat ze pas daarna een beroepsopleiding zouden mogen volgen… Dat kan toch niet?…. Wie vlot leert, kan immers dit taaltraject afleggen in 6 maanden bij een CVO.

Sommige van de potentiële kandidaten voor een traject Alfa naar Werk hebben wel schoolse ervaring, maar bv. alleen in de koranschool. Ze zijn erg weinig zelfredzaam en blijven ronddraaien in hun eigen kleine kringetje. Hun zelfbeeld klopt ook niet altijd: sommigen onderschatten zichzelf, maar er zijn er ook die zichzelf overschatten en die al snel denken dat ze alles aankunnen. Dat blijkt dan niet zo te zijn. Ze kunnen meestal wel heel goed hun geheugen inzetten. Op verschillende manieren kunnen ze hun geheugen benutten: visueel, auditief of zelfs kinestetisch. Ze kunnen dingen die ze een keer gezien hebben gemakkelijk nabootsen. Ze luisteren ook goed en kunnen dan die taken uitvoeren. En door dingen te doen, leren ze ook.  Op basis van deze individuele sterktes zorgen wij ervoor dat ze zo functioneel mogelijk kunnen leren. Het leren gaat langzaam, maar het gaat wel vooruit. Het is soms de kunst om die vooruitgang toch te zien: langzaam maar zeker, maar zeker langzaam.

Waaruit bestond jullie West-Vlaamse oplossing?

Eigenlijk bestonden er al jaren cursussen ‘Alfa naar Werk’, bv. in Antwerpen, Gent… Die trajecten leidden meestal naar een poetsjob, vooral gericht naar vrouwen. In onze regio waren er echter veel alleenstaande mannen. Daardoor zijn we gaan nadenken. De vragen van de bedrijven lagen vooral in de diepvriessector. Zij smeken echt om arbeiders. Dus voor hen startten wij met een traject ‘Alfa naar Werk - verpakkingsmedewerker voeding’; niet ‘operator’ want dat is te hoog gegrepen. En er zijn trajecten voor tuinaanleg, tuinonderhoud, bv. het onderhoud van bermen langs de snelweg. Sinds kort is er ook ‘horeca’, in Brugge. We promoten de merknaam ‘Alfa naar Werk’ en we gebruiken die naam ook alleen maar voor deze trajecten met zeer laaggeletterde anderstaligen.

Hoe gaan jullie te werk?

We hebben een basisrecept maar we passen het aan naargelang de omstandigheden.

 

/nl/file/basisreceptpngbasisrecept.png

 

 

Het basisrecept bestaat uit een Taalbad door CBE. Dat is 60 uur Nederlands zeer specifiek gericht op de job, bv. voor verpakking: voeding, hygiëne, beschermingsmateriaal enzovoort. VDAB geeft een beroepsopleiding aangepast aan wat de mensen kunnen en wat werkgevers vragen. Zo moeten ze in de opleiding groen bijvoorbeeld geen Latijnse namen van planten kennen, maar wel de kleuren van de bloemen, of ze met blad of zonder blad zijn enzovoort. VDAB verzorgt ook NODO (Nederlands op de opleidingsvloer). Als iemand bijvoorbeeld leert bladblazen, dan is daar een begeleider voor Nederlands bij om de taalbarrières weg te werken. De ‘Job Babbelbox’ gaat over werken in Vlaanderen, arbeidsattitudes, leren solliciteren enzovoort. We doen bedrijfsbezoeken samen met de sectorfondsen. Er is ook een stukje ‘mobiliteit’. Dat gaat niet altijd over een rijbewijs halen. Soms gaat het ook gewoon over leren werken met google-maps of weten waar je een fiets kan lenen.

Meer uitleg over de verschillende ingrediënten, vind je in de slide van Tine

/nl/file/alfanaarwerk-trefdagspgpdf-1alfa_naar_werk_-_trefdag_spg.pdf

 

Hoe hebben jullie je georganiseerd?

VDAB en CBE trekken de stuurgroep. Die groep leidt alles in goede banen voor een groep van 8 tot 12 cursisten. Wij starten nu bijvoorbeeld in januari 2020 voor verpakkingsmedewerker. Het is de bedoeling dat deze mensen in juni werk hebben. Zij volgen 5 volle dagen les. Tegen de start van hun traject moeten ook alle randvoorwaarden in orde zijn bv. ze moeten kinderopvang hebben, alle wettelijke papieren en verblijfspapieren moeten in orde zijn. Dat vraagt heel veel inzet van alle partners, maar iedereen vindt dat het loont. Eigenlijk waren wij al jaren bezig in ons eigen kringetje, maar nu we samenwerken, levert het veel meer op… Per partner maakten we een lijst van de expertises en de taken die een partner doet in het traject. Afhankelijk van de doelstellingen van het traject werken we samen met de sectorfondsen Alimento, Eduplus en Horeca Forma. Zij kennen de sector immers door en door. Het is de ideale link met de bedrijven en werkgevers. Zij organiseren bedrijfsbezoeken, regelen stageplaatsen. Ze zijn in feite onze spreekbuis tussen opleiders en werkgevers.

Hoe werven jullie cursisten?

De meeste kandidaten komen via basiseducatie of via VDBA. Wij doen de infosessies in Open School zelf, en dat neemt al een hoge drempel weg. Een lesgever vertelt bijvoorbeeld over een cursus en vraagt aan haar of zijn cursisten of ze niet eens naar een infosessie willen gaan. Dan kunnen zij daarvoor 2 lokalen verder terecht, bij manier van spreken. Daar zijn dan alle partners aanwezig en kunnen ze meteen een afspraak maken voor een diepgaander gesprek. In dat gesprek wordt gepeild naar de motivatie. Als er bijvoorbeeld iemand is die niet tegen kou en regen kan, dan moet die persoon natuurlijk niet bij groenonderhoud of bij een bedrijf voor diepvriesproducten gaan werken. Er wordt ook gekeken of ze vervoer hebben en er kan meteen een inschatting gemaakt worden van het taalniveau van de kandidaat. Er wordt ook een kleine praktische proef gedaan zoals eens op een ladder klimmer of met een kruiwagen rijden.

Kan je een voorbeeld geven van wat er in het ‘taalbad’ aan bod komt en hoe het werkt?

Er wordt heel veel gewerkt rond materialen en het gebruik daarvan, bv. de machines. Ze leren de namen kennen - ook de naam in het West-Vlaams, want dat is belangrijk om in de praktijk te communiceren – en natuurlijk gaat er veel aandacht naar veilig werken.  Ze leren de betekenis van veiligheidspictogrammen. Bij het traject ‘Alfa naar Werk – groen’ leren ze bijvoorbeeld dat er bij elke machine een fiche zit i.v.m. de veiligheid. In een gewone opleiding moeten ze die tot in de details kennen. Bij ons moet dat alleen voor de machines die zij veel gebruiken. Er is heel veel aandacht voor plantenkennis en persoonlijke beschermingsmaterialen. Er wordt ook stilgestaan bij communiceren met collega’s en oversten.

In het taalbad maken we zoveel mogelijk gebruik van foto’s, nog meer dan van tekeningen. Dit omdat velen vooral visueel onthouden, en dan zijn foto’s beter. En filmpjes natuurlijk: een filmpje legt vaak veel beter zonder woorden uit waar het over gaat dan dat je dat mondeling kan doen. We maken ook gebruik van picto-zinnen met pictogrammen die ze vooraf aanleren.

 

/nl/file/pictozinpngpictozin.png

 

En dan oefenen ze veel met meerkeuzevragen: bijvoorbeeld ‘Is dit a) een haag, b) een struik, c) een bodembedekker. Onze lesgevers maakten bijvoorbeeld heel veel Kahoot-oefeningen waarmee de cursisten thuis nog kunnen oefenen.

 

/nl/file/kahootpngkahoot.png

 

 

Waarom werkt dit recept, denk je?

Dat heeft vooral met het partnerschap te maken waar ‘zorg’ centraal staat. Iedereen wil niet alleen maar een cursusje geven maar er echt voor gaan dat de cursist iets duurzaams kan opstarten. We willen die mensen in een job krijgen die voor hem of haar past. Heel belangrijk is dat wij echt een antwoord bieden op een bestaande nood en dat werkt altijd beter. We creëerden niet zomaar iets in het wilde weg. Bij de partners is het heel belangrijk dat ieder in zijn expertise wordt gewaardeerd. We geven heel veel complimentjes aan elkaar. Door het partnerschap is er een heel traject mogelijk, met heel veel nazorg inbegrepen. Dat vraagt wel veel overleg en dat is altijd een hele puzzel om dat geregeld te krijgen.

Natuurlijk blijven er aandachtspunten. We moeten er bijvoorbeeld op letten dat we voortdurend in communicatie blijven investeren. Omdat we werken met zo’n divers publiek is de kans op misverstanden groter. Als er iemand nieuw komt, moet die alle informatie krijgen, en moeten de afspraken ook duidelijk zijn. Natuurlijk blijft de financiering een probleem, en de opvolging na de stage blijft een aandachtspunt. Op papier is ze er, maar in de praktijk kan het vaak beter. Vaak hangt het af van de personen die de taak opnemen en dat zou niet mogen.

Maar je voelt dat elke partner echt achter deze projecten staat. De trajecten lopen relatief lang, maar de investering loont.

 

 

 

Lees meer over de Trefdag Geletterdheid: w@ is d@? op 8 november in Brussel in het EPALE-zine.

 

 

 

 

 

 

Share on Facebook Share on Twitter Epale SoundCloud Share on LinkedIn