chevron-down chevron-left chevron-right chevron-up home circle comment double-caret-left double-caret-right like like2 twitter epale-arrow-up text-bubble cloud stop caret-down caret-up caret-left caret-right file-text

EPALE - Piattaforma elettronica per l'apprendimento degli adulti in Europa

Blog

Een landschap van herinneringen | Mijn dagboek is een tuin

21/04/2020
di NSS EPALE Nederland
Lingua: NL

Schrijven is een belangrijke basisvaardigheid. Om mee te kunnen draaien in de maatschappij moet je bijvoorbeeld formulieren kunnen invullen, e-mails schrijven, brieven om een abonnement op te zeggen. Als je schrijfvaardig in de breedte wil zijn, gaat het ook om andere dingen: Wie ben je, waar kom je vandaan, hoe kun je je zelfvertrouwen vergroten, welke keuzes maak je op basis van eigen verleden? Je levensverhaal schrijven is een mooie manier om deze aspecten van jezelf te ontdekken en versterken.

José Franssen, levensverhaaldeskundige, schrijft snipperberichten over het werken met levensverhalen. Zie ook http://www.josefranssen.nl/ Lees hieronder het bericht over dagboekschrijven, onder andere over de functies die een dagboek kan hebben.

Een landschap van herinneringen

Mijn dagboek is een tuin | Over dagboekschrijven

Door José Franssen

 

Aafke Steenhuis: de tuin waarin ik loop

Op 29 juni 1987 was ik deelneemster aan de Zomeruniversiteit Vrouwenstudies in Groningen. Daar hoorde ik een lezing van Aafke Steenhuis, getiteld: De tuin waarin ik loop – Dagboeken van meisjes. Ik was 31 jaar oud, Aafke Steenhuis was 41. Ze had net onder het pseudoniem, Beeltje de Noord een boek gepubliceerd: De wereld als voorstelling en wil – Meisjesdagboeken 1956-1969. Het is een boek met dagboekfragmenten van 3 meisjes tussen hun 9e en 23e jaar. Een van die drie meisjes was Aafke Steenhuis zelf, in het boek heet ze Beeltje. Aafke Steenhuis/Beeltje begon dagboek te schrijven toen ze 9 jaar oud was, ze schreef op haar 41ste dus al meer dan 30 jaar dagboek.

Over haar boek en het dagboekschrijven vertelde ze:
- dat het in haar dagboek draait om de centrale vraag: hoe word je die je bent;
- dat haar dagboek de ontwikkeling laat zien van meisje naar vrouw;
- en dat ze niet zo wilde worden als haar moeder.

En over de vorm: het lijkt onsamenhangend, maar over een langere periode zie je veel en hechte samenhang, er is een grondpatroon dat blijft, motieven, symbolen, thema’s komen steeds terug.

Wat bij mij (ook al tientallen jaren dagboekschrijfster) bleef hangen: ze noemde het dagboek een zelf aangelegde tuin: je blijft er altijd in lopen, daarbinnen verander je wel, maar soms minder dan je zelf dacht. Citaat:

Zondag 29 januari 1961
Het is moeilijk weer te beginnen. Ik weet niet waar ik moet beginnen en hoe. Ik wil dit dagboek maken tot iets van mezelf. Niet iets dat anderen kunnen lezen omdat het naar anderen toe is gemaakt. Alleen van mezelf. (…) Ik wil alleen proberen m’n gedachten zo eerlijk mogelijk op papier te zetten, maar dat is moeilijk.[1]

 

Een heel leven schrijven…

Dat is wel ongeveer wat ik gedaan heb. Altijd schreef ik, als kind al: vanaf het moment waarop ik potloden en pennen kon vasthouden, schreef ik, overal en veel. Op de muren van de wc en op het behang boven mijn bed, met krijt op de stoep, op hoekjes van kranten, in tijdschriften, in boeken, in brieven, op papier. Ik heb geen idee wat ik schreef. Er is niks van bewaard.
Toen ik 13 jaar was, verhuisden we. Ik kreeg een eigen kamer en ik vond dat heerlijk. Vanaf dit moment dat samenviel met het naar de middelbare school gaan, schreef ik dagboek. Dat begon met het invullen van kalenders, zo’n jaarkalenders met weekbladen en per dag een kleine ruimte. Ik schreef er vooral feiten in en heel af en toe een gevoel, bijvoorbeeld: wat zal ik ze missen. Na de kalenders volgde één echt dagboek, ‘Mijn Dagboek’ met een slotje erop, dat ik met sinterklaas of op mijn 13e verjaardag cadeau kreeg van mijn ouders. Ik schreef er plichtsgetrouw echt elke dag in, én heel erg netjes! Het begint zó:

21-8-‘69
Dit is de eerste keer dat ik ’n echt dagboek bijhoud, dus ik moet proberen er erg netjes mee om te springen. Vanmorgen is het nieuwe schooljaar ingegaan, meteen al met veel huiswerk. Ik zit naast een jongen: Gerrie Claessens. Afschuwelijk!! De Kurk vroeg of ik ’t leuk vond, en toen ik hartstochtelijk ‘nee’ zei, zei hij, dat er nog wel ergere dingen waren. Dat sloeg op een paar weken geleden, toen ik ‘m op de markt tegenkwam, toen kreeg ik nl. een knalrooie kop.

 

Gebeurtenissen op school, ’Ik denk veel over liefde, aardrijkskunde en Engels na’, bekentenissen over liefdesperikelen, ouders als onbegrijpende wezens, veel op bezoek bij een klasgenootje met nieuwe hartkleppen (destijds een enorm risicovolle ingreep) en ineens wilde ik een beroep richting de medische kant. Mijn moeder las helaas af en toe mee, en dat leidde tot conflicten. Ik schreef welbewust niet meer alles op.

14-12-‘69
Er zal wel niet veel van mijn dagboek gesnapt worden als ik het door vreemden laat lezen… Van m’n échte innerlijke gevoelens en ruzies staat er ook niet veel in, veelal feiten.

 

Dit laat de vreemde paradox zien die in zoveel dagboekschrijven aanwezig is: mensen schrijven voor zichzelf en eigenlijk stiekem ook voor andere lezers (vaak onduidelijk wie precies) - en tegelijkertijd is het dagboek een vrijplaats voor eigen geheime en intieme gedachten en gevoelens, met een bijbehorende angst voor meelezers.

Het dagboek met het slotje staat aan het begin van meters en meters dagboeken, die ik in de loop van de tijd volschreef.
Schriftjes (logboeken) en schriften, vol haastige aantekeningen, om maar het leven vast te houden, zo lijkt het wel. Veel prachtige schrijfboekjes en schrijfboeken, altijd weer afgewisseld met eenvoudige schriftjes. Reisdagboeken, speciale dagboeken voor periodes dat ik in het buitenland was, handgemaakte schrijfboeken, gemaakt door een papiervriendin, stapels schriften in de tijd waarin ik voor mijn moeder zorgde.
Het is een wonderlijke mengeling van geschriften, vol met gebeurtenissen, vragen en overwegingen van mijzelf, in gewone tijden kabbelend als een rustig beekje, in woelige tijden overdonderend in mijn haast om de crisis, de liefde, de verwarring, de ontsteltenis, in woorden te vatten. Ik schreef over de dingen die ik meemaakte of die ik belangrijk vond, ik schreef over verlangens en dromen, over ruzies, over het zoeken naar wie ik ben (ik voerde gesprekken met mezelf). Er staan opsommingen in, lijstjes, brieven, gedichtjes, toegangskaartjes en krantenknipsels. Heel af en toe een verwijzing naar de toestand in de wereld. Ik schreef over de liefdes in mijn leven, over de problemen die de liefde met zich meebracht, over het verdriet bij het eindigen van mijn eerste grote liefde. Ik hield soms schrijvend mijn hoofd boven water, ik schreef om zaken op een rij te krijgen, over twijfels, innerlijke conflicten en moeilijke situaties op mijn werk, over beslissingen die ik wilde of moest nemen. Ik schreef over die vreemde drang om te schrijven:

… Ik voel een soort drang om m’n gedachten en m’n leven van nu in dit boek te willen schrijven en omdat er zoveel gebeurt met mezelf, en ik angstig ben om dat te laten verdwijnen, oplossen in het niets, schrijf ik ’t hierin op…

 

Dat lijkt verdacht veel op een citaat dat ik vond van Marie Bashkirtseff, die vlak voor haar overlijden (ze was toen 24 jaar oud) op 1 mei 1884 in haar dagboek schreef:

…men zal mijn dagboek vinden, mijn familie zal het vernietigen na het te hebben gelezen en dan zal er weldra niets meer van mij over zijn, niets… niets! Dat heeft me altijd verschrikkelijk geleken. Leven, zoveel plannen hebben, lijden, huilen, vechten, en, tenslotte, vergetelheid!... vergetelheid… alsof ik nooit bestaan had! Als ik niet lang genoeg leef om beroemd te worden, zal dit dagboek toch de naturalisten belang inboezemen; het is toch merkwaardig, het leven van een vrouw, van dag tot dag. zonder aanstellerij, alsof niemand ter wereld het ooit had moeten lezen, en tezelfdertijd toch geschreven met de bedoeling om gelezen te worden; want ik ben er zeker van dat men mij aardig zal vinden, en ik zeg alles, alles, alles. Wat heeft het anders voor zin![2]

 

Ik schreef bijna altijd, al was er één periode waarin ik heel weinig schreef: in de tijd van mijn eerste grote liefde, toen ik ergens onbewust al wist dat het voorbij zou gaan, schreef ik bijna niet, alsof ik het zelf niet waar wilde hebben, alsof het niet-opschrijven van mijn gevoelens en gedachten het onvermijdelijke zou kunnen veranderen.[3]  

 

Wat is een dagboek?

13.2.1902
Dagboeken? Een teken des tijds. Er worden zoveel dagboeken gepubliceerd. Het is de makkelijkste, ongebreideldste vorm.
Goed. Wie weet zal men op den duur alleen nog maar dagboeken schrijven omdat al het andere weerzin opwekt. Waarom trouwens al dit gegeneraliseer.
Het is de analyse zelf; niet meer en niet minder. Het is geen kunst. Dat moet het ook niet zijn. Waarom er zoveel woorden over vuil gemaakt?
Rober Musil[4]

 

Ik werk al tientallen jaren met mensen en hun levensverhalen. Ik gaf lessen en cursussen over alle vormen van schrijven: creatief schrijven, verslagen en rapporten schrijven, beleidsstukken schrijven, werkstukken schrijven, reisverhalen schrijven, gedichten, korte verhalen, levensverhalen, dagboekschrijven. Ik specialiseerde me tenslotte in het lesgeven over autobiografisch schrijven en het werken met levensverhalen. Het dagboek is heel bijzonder in het autobiografische landschap. Want wat is een dagboek?
Letterlijk betekent dagboekschrijven: het te boek stellen, het opschrijven van de gebeurtenissen, gedachten en gevoelens van de dag. Dag na dag vastleggen van het bestaan. En een van de belangrijke kenmerken van het dagboekschrijven is dat er geen vaste regels bestaan voor dagboekaantekeningen, niet voor de inhoud én niet voor de vorm. Alles mag en kan: een dagboek hoeft geen eenheid te zijn, vaak lijkt het heel onsamenhangend. En zeker als mensen in periodes of golven dagboek schrijven is het heel fragmentarisch.[5] Er zijn dagboeken die alleen maar bestaan uit geschreven tekst (tegenwoordig ook vaak in de computer), er zijn dagboeken die tekst combineren met beeld, tekeningen, plaatjes, illustraties, knipsels, en er zijn dagboeken die vooral het grafische en de vorm als uitgangspunt hebben. Soms staan ze vol met recht uit het hart geschreven bekentenissen, soms zijn de teksten gestileerd en is er van te voren over nagedacht. Persoonlijke en zakelijke teksten wisselen elkaar af. Soms wordt een moment belicht en dan weer gaat het over vroeger of over een tijdsperiode. Tegenwoordige tijd, verleden tijd en ook toekomende tijd met verlangens en wensen (de bucket-list heet dat nu) kunnen een plek hebben. Brieffragmenten, gedichten, monologen, automatisch schrijven, lijstjes, alles is geoorloofd. Er moet niets, dingen hoeven niet uitgelegd te worden, het publiek hoeft niet vermaakt te worden of iets te leren,, er hoeft niet getroost te worden, er is geen rode draad, geen geconstrueerd verhaal, geen logica. Toch blijkt bij mensen die over lange tijd dagboekschrijven, dat er over een langere periode ook samenhang te vinden is. Ook in mijn eigen dagboeken is er sprake van steeds dezelfde grondpatronen, dezelfde motieven, dezelfde vragen, dezelfde symboliek. Thema’s herhalen zich, verhalen worden opnieuw verteld. Mensen veranderen wel in de loop van een leven, maar soms minder dan ze zelf denken. Denk aan wat Aafke Steenhuis vertelde in haar lezing over dagboekschrijven, ze zag het dagboek als een zelf aangelegde tuin: je blijft er in lopen.[6]
En nog een stap verder: om een dagboek lezenswaardig en interessant te maken voor lezers (en we weten hoeveel dagboeken er uitgegeven worden, dus veel dagboekschrijvers hebben toch echt wel een publiek voor ogen!), moet er natuurlijk meer gebeuren dan alleen het opsommen van feiten en gevoelens daarbij. Een zelfkritische geest met humor, een vitale en fantasierijke persoonlijkheid, een leven dat door de gebeurtenissen in de tijd een specifieke weg is gegaan… op deze manier schurkt het dagboek dicht aan tegen de autobiografie.

 

Functies van dagboekschrijven

Is het een spiegel, omdat je schrijvend in gesprek bent met jezelf? Is het een verlengstuk van je geheugen, omdat je er gebeurtenissen en ervaringen uit je leven in bewaart? Papieren troost? Is het een uitlaatklep, kunstkabinet of plakboek? Of is het een schrijverswerkplaats? In mijn 50-jarige carrière als dagboekschrijfster zijn alle functies van het dagboekschrijven bij mij wel voorbij gekomen. Ik noem ze:

Het dagboek als uitbreiding van het geheugen

Het is het hart van bijna alle dagboekschrijven: de herinnering vastleggen en zo bewaren, vasthouden. We weten maar al te goed dat onze herinnering onvolledig is, dat we veel vergeten, dat we gebeurtenissen en ervaringen vervormen als we er later op terug kijken. Dus willen we de vluchtige dag vastleggen voor later. De herinneringen niet-vervalst vasthouden.  Het verleden bewaren. Vergelijk het met het verzamelen van foto’s, filmpjes, kindertekeningen, agenda’s, brieven en souvenirs, we bewaren om niet te vergeten. Verzamelen als een praktische vorm van herinneren.
Niet alleen kunnen de herinneringen, voornemens en plannen worden opgeschreven en vastgelegd: als dagboekschrijver kun je dat later teruglezen:

‘Ik schrijf iets op om het later zelf terug te lezen, om te begrijpen wat ik toen dacht en meemaakte. Ik wil herinneren om ervan te leren, ik wil leuke momenten herbeleven.’[7]

 

De meeste dagboeken bestaan uit een mengsel van herinneringen, dromen, citaten, tekeningen, gedichten, klachten, brieven, enzovoort.

‘De dagboekschrijvers zijn hartstochtelijke verzamelaars die hun ‘pakhuis’ volproppen.’[8]

 

Het dagboek als spiegel van jezelf

De vraag Wat ben ik voor een mens? staat centraal. Je wilt jezelf begrijpen in relatie met anderen. Tienerdagboeken laten deze functie heel duidelijk zien, maar ook dagboeken van bijvoorbeeld Kafka, Hans Warren en andere auteurs. Je gaat bij jezelf te rade, voert als het ware een gesprek met jezelf (tweegesprek met je andere zelf), geeft commentaar op wat je meemaakt, je relaties. Dat gesprek met jezelf kan zover gaan, dat je het dagboek gaat beschouwen als een deel van jezelf, alsof het een apart iemand is. gezelschap, een metgezel, een vertrouwde en discrete luisteraar.

‘Als het huis afbrandt, dan red ik mijn dagboeken!’[9]

 

Intiemer zijn met je dagboek dan met wie dan ook.
En: het werkt ordenend, je krijgt er dingen duidelijk door, je krijgt zicht op de chaos, het helpt je om je eigen koers te vinden, om beslissingen te nemen. Niet alleen het gesprek met jezelf is hier belangrijk, ook het jezelf laten zien zoals je bent: je vele persoonlijkheden, de sterke, leuke kanten én de zwakheid, wispelturigheid en angsten.
Jean Jacques Rousseau:

‘Ik laat me zien zoals ik ben, nu eens verachtelijk en niets waardig, dan weer goed, gul, subliem.’[10]

 

Het dagboek als uitlaatklep

De therapeutische functie van het dagboekschrijven wordt door veel mensen onderstreept. Van je af schrijven, het dagboek als toevluchtsoord om je verwardheid, je chaos woorden te geven. Je dagboek als partner in tijden van crisis. Het dagboek als kleine therapie voor jezelf. Door over je gevoelens te schrijven, geef je ze een plaats en loop je niet over. Het dagboek is in deze zin vaak een gesprekspartner, een troost, een houvast. Pijnstillend middel. In levenssituaties waarin rouwprocessen of verdriet aan de orde zijn en een plaats krijgen. Emoties rondom ziekte, dood en afscheid worden schrijvend verwerkt. Je vasthouden aan de kleine dingen van alledag hoort daarbij en het dagboek is zo’n alledaags middel.

‘Aanleiding waren alle gebeurtenissen rondom mijn ziekte. Het dagboekschrijven was een manier om de vele intense belevenissen vast te leggen en van me af te schrijven. Toen er dingen mis gingen, begon ik in een apart dagboekje in briefvorm alles uit te leggen aan de internist. In de Daniël den Hoed Kliniek heb ik tijdens de behandeling van mijn ziekte dagelijks een dagboek over de gebeurtenissen daar bijgehouden.’[11]

 

Het dagboek als communicatiemiddel

Sommigen schrijven aan een geliefde persoon, een overleden partner, een fictieve vriendin of een echt persoon, aan een vriend, aan God. Anne Frank richtte haar schrijven aan de niet-bestaande vriendin Kitty.[12] 
Iemand iets te zeggen hebben en dat op papier doen. Het dagboek is plaatsvervanger voor het andere ik. ‘Een doof boek luistert’, zei iemand. Of juist gericht aan echt bestaande personen. Een vrouw vertelde dat ze om haar ergernis naar de buren te kanaliseren, stapels brieven geschreven had, die ze vervolgens niet geschreven had.

 

Het dagboek als middel tot zelfdefiniëring

Waarde toekennen aan je bestaan door erover te schrijven. Je eigen leven en werk als belangrijk zien, als waardevol, betekenisvol. Je eigen identiteit bevestigen. ‘Jezelf vormgeven op papier.’
Misschien valt daaronder ook de behoefte die sommigen hebben, om hun leven op te schrijven ‘voor hun kinderen’, zodat die later in het dagboek kunnen lezen. Dagboekfragmenten om iets van jezelf te bewaren voor anderen. Laten zien wie je bent. In de autobiografie spitst dit zich toe. In het geschreven zelfportret, nauw verwant aan, maar toch onderscheiden van het dagboek, gaat het om een terugblik op en een interpretatie van het tot dan toe geleefde leven. Men vertelt dus niet alleen wat er gebeurde, maar geeft ook een persoonlijke interpretatie en visie. Men is op zoek naar beweegredenen, motieven, naar de zin van het geleefde leven. Mensen leggen zichzelf uit aan anderen. Het dagboek kan heel gemakkelijk een overlap daarmee hebben.
Heimelijkheid en eenzaamheid kunnen het dagboek omgeven. Als mensen in een totalitaire staat wonen, en ook in veel andere situaties, schrijven ze in het geheim. Kritiek en meningen kunnen in het dagboek vrij verwoord worden, moeten soms verborgen blijven vanwege de consequenties die het openbaren van de woorden kan hebben. Denk aan gevangenisdagboeken, aan dagboeken uit concentratiekampen, aan dagboeken van mensen die willen vluchten uit hun land. Het schrijven kan een mogelijkheid zijn, het eigen zelf zoveel als kan overeind te houden.

 

Het dagboek als schrijverswerkplaats

Voor veel auteurs is het dagboek een opslagplaats voor ideeën, voor later te bewerken stof, invallen, probeersels van verhalen, opzetjes, ontmoetingen, gesprekken, observaties. Steun, hulpmiddel en oriëntatiepunt voor de auteur. Anne Frank gebruikte haar dagboek op deze wijze. Het is niet zo algemeen bekend, dat ‘Het Achterhuis’ zoals dat later is uitgegeven, al een bewerking is van haar oorspronkelijke dagboekaantekeningen. Op 11 mei 1944, even voor ze daadwerkelijk aan het bewerken van haar spontane dagboekaantekeningen begon, noteerde ze:

‘Je weet allang dat m’n liefste wens is eenmaal journaliste en later een beroemd schrijfster te worden. Of ik deze grootheidsneigingen (of waanzin?) ooit tot uitvoering zal kunnen brengen, zal nog moeten blijken, maar onderwerpen heb ik tot nu toe nog wel. Na de oorlog wil ik in ieder geval een boek getiteld ‘Het Achterhuis’ uitgeven, of dat lukt blijft ook nog de vraag, maar mijn dagboek zal daarvoor kunnen dienen.’[13]

 

Andere bekende schrijversdagboeken zijn die van Virginia Woolf, Anaïs Nin en Hans Warren.[14]

 

Vormen van dagboekschrijven

De veelvoudigheid kenmerkt ook de vormen van dagboekschrijven. Dat blijkt al uit de geschiedenis: van dagelijkse berichten uit de analen van heersers (kronieken, memorandum, agenda), koningen en goden, logboeken in de scheepsvaart (vooral feiten worden vastgelegd, de dingen die gebeuren en de dingen die nog moeten gebeuren), naar ‘bekentenissen’, waarbij ook meningen, gevoelens en andere subjectieve uitingen toegevoegd worden aan de gebeurtenissen. In de middeleeuwen waren het nog dagboeken en bekentenissen van geestelijken en heiligen, na de renaissance werden het journalen, diaries, dagboeken, zoals wij ze nu nog kennen en waarin we vertellen over ons intieme, ondeelbare en totaal individuele leven en denken daarover.
In onze wereld van nu kan alles: ook nu nog verschijnen er ‘dagboeken’ die iets hebben van een kroniek (notitiedagboekjes, denk aan de uitbreiding van het geheugen: mijn vader schreef altijd in zijn agenda bij de dag wat hij gedaan had en waar hij geweest was), dagboeken die het zelf ‘onthullen’ in zowel psychologisch als moreel opzicht, en dagboeken die commentaar geven op gebeurtenissen in de tijd en maatschappij waarin we leven. Ook het literaire dagboek heeft een hele ontwikkeling doorgemaakt.

Wat betreft de vorm: kleine notitie-dagboekjes, stapels losse papiertjes, mooie schrijfboeken van allerlei soort en vorm, prachtige handgebonden boeken, tegenwoordig ook veel voorgedrukte dagboeken, waarin je per dag een ruimte hebt voor het noteren van woorden en niet te vergeten de blogs op internet en de ongeziene dagboeken in vele computers (afleveringen soms geprint bijeengehouden in ordners). Vaak ook alles door elkaar, zodat ‘de dagboeken’ van iemand bestaan uit een enorme hoeveelheid verschillende materialen, volgeschreven, getekend, of/en opgeslagen in de cloud. Een mengeling van allerlei vormen, zelfs per persoon.

Een paar namen/begrippen/termen (ook in ons land jammer genoeg in het Engels):

  • Art Journal
    = kunst in een dagboek, geïllustreerd dagboek, een volgeplakt, getekend, geschreven dagboek. Zie bijvoorbeeld de boeken van Keri Hulme: kleine striptekening-verhaaltjes, gekke opdrachten. Of: Gaston Weustenberg: Gaston en de tuin: schilderingen én dagboekaantekeningen, zie Youtube: Gaston en de tuin.
  • Artist Journal
    = kunstenaarsdagboek
    = tekeningen, schetsen, collages, foto’s, schilderingen, stoffen en garens, teksten, gevonden voorwerpen (b.v. bloemen). Bijvoorbeeld dagboeken van: Leonardo da Vinci; Frida Kahl; Marion Bloem; Pablo Picasso; Paul Klee; Ludwig von Beethoven; Vincent van Gogh; Paula Modersohn-Becker; Alberto Giacometti; en vele anderen.
  • One-line-a-day dagboek
    Bijvoorbeeld vijf jaar in één voorgedrukt boek, elke dag een regel schrijven. Er zijn inmiddels vele varianten: 642 things to write about; Voor moeders; Dankbaarheidsdagboek; Voor kookliefhebbers; Elke dag een vraag beantwoorden.
  • Blogs
  • Lijstjes

 

Enkele dagboeken, inspirerende boeken en boeken over dagboekschrijven

Dagboeken en inspirerende boeken:

Sei Shõnagon: Het hoofdkussenboek. Vertaald uit het Engels door Paul Heijman. Nijgh & Van Ditmar, Amsterdam, 1986 (Dagboeken, vol met lijstjes, overpeinzingen en gedachten van een Japanse hofdame die rond 1000 leefde).

Paul Auster: Winterlogboek. Vertaald uit het Engels door Ronald Vlek. De Arbeiderspers, Utrecht/Amsterdam, 2012 (Autobiografie en dagboek tegelijk: zoektocht van de 64-jarige auteur naar de vraag hoe het was en is om in zijn lichaam te leven. Wat heeft het lichaam meegemaakt en gezien?).

De inventarisatie van littekens, met name die op je gezicht, die elke morgen zichtbaar voor je zijn als je in de badkamerspiegel kijkt om je te scheren of je haar te kammen. Je denkt zelden aan ze, maar als je wel aan ze denkt, begrijp je dat het merktekens zijn van het leven (…)
Onzekere feiten tegenover noodzakelijke feiten, en het besef, als je vanochtend in de spiegel kijkt, dat het hele leven onzeker is, afgezien van dat ene noodzakelijke feit dat er vroeg of laat een einde aan komt.[15]

 

Ruth Ozeki: Een tijdelijke vertelling. Vertaald uit het Engels door Bert Meelker. Anthos, Amsterdam, 2013 (Roman over het vinden van een dagboek, je verdiepen in het dagboek van een ander en wat dat met jezelf doet.)

Nicolien Mizee: De kennismaking, Faxen aan Ger 1 en: De porseleinkast. Faxen aan Ger 2. Van Oorschot, Amsterdam, 2017, 2018 (Zijn niet-verstuurde brieven dagboekaantekeningen?)

Ik ben niet geïnteresseerd in wat mensen doen, maar in wat ze zijn. Zo ben ik slechts geïnteresseerd in de meningen van anderen, in hun prestaties, werkzaamheden en commentaren als de uitingen van waaruit je hun portret kun samenstellen. Het object zelf: de mening, de column, het kunstwerk, interesseert me in feite nauwelijks. Dit gebrek aan interesse heb ik lang betreurd, maar er is niets aan te doen. [16]

 

Harold Brodkey: Het verhaal van mijn dood. Aidsdagboek. Vertaald uit het Engels door Paul Syrier. Vassallucci, Amsterdam, 1997

Jean-Jacques Rousseau: Bekentenissen. Vertaald uit het Frans en bezorgd door Leo van Maris. De Arbeiderspers, Amsterdam, 1996

Ik ga iets ondernemen, dat nooit eerder gedaan is en dat, als het eenmaal is uitgevoerd, niet zal worden nagevolgd. Ik wil aan mijn medemensen een mens laten zien zoals hij werkelijk is en die mens, dat ben ik zelf.
Enkel en alleen ik zelf. Ik ervaar mijn eigen innerlijk en ik ken de mensen. Ik ben niet gemaakt als enig ander mens die ik heb ontmoet. Ik durf zelfs te geloven dat ik niet gemaakt ben als enig ander mens ter wereld. Ook al zou ik niet beter zijn, ik ben op zijn minst anders. Of de natuur er goed of slecht aan heeft gedaan de mal te breken waarin ik gegoten ben, daarover kan men alleen oordelen als men mij gelezen heeft.[17]

 

Cesare Pavese: Leven als ambacht. Dagboeken en brieven. Vertaling uit het Italiaans en toelichting: Anton Haakman (dagboeken) en Yolanda bloemen (brieven). De Bezige Bij, Amsterdam, 2003

Rosa Montero: Het absurde idee je nooit meer te zien. Vertaald uit het Spaans door Hendrik Hutter. Wereldbibliotheek, Amsterdam, 2015 (Persoonlijk verhaal van de schrijfster over wat er met haar gebeurde na het verlies van haar grote liefde. Ze spiegelt zich steeds aan wat zij leest in de dagboeken van Marie Curie – dat zij bijhield na de dood van haar man Pierre in 1906.)

Ik moet bekennen dat ik vele jaren van mening was dat het verwerken van je eigen verdriet in een kunstwerk onfatsoenlijk was. Ik vond het betreurenswaardig dat Eric Clapton ‘Tears in Heaven’ schreef, een liedje voor zijn overleden zoontje Conor van vier, die uit een raam op de drieënvijftigste verdieping van een wolkenkrabber in New York was gevallen. En het stoorde me dat Isabel Allende Paula publiceerde, de autobiografische roman over de dood van haar dochter. Op mij kwam het over alsof ze op de een of andere manier hun verdriet, dat zuiver had moeten blijven, te gelde maakten. Maar uiteindelijk ben ik van mening veranderd. Ik ben zelfs tot de conclusie gekomen dat het in feite iets is wat we allemaal doen. In mijn romans mijd ik het autobiografische als de pest, maar ook ik ben op een symbolische manier doorlopend mijn diepste wonden aan het likken. Creativiteit vindt haar oorsprong in het lijden, dat van jezelf en van anderen. Echte pijn is onzegbaar, maakt ons doof en stom, valt met geen pen te beschrijven en is niet te verzachten. Echte pijn is een walvis die te groot is om geharpoeneerd te kunnen worden. En desondanks blijven wij schrijvers proberen om #Woorden voor het niets te vinden.[18]

 

Marie Bashkirtseff: Waarom zou ik liegen; Een keuze uit haar dagboeken, 1873-1884. Gekozen, vertaald uit het Frans en van een nawoord voorzien door Marianne Kaas, 1997

Dagboek van May Sarton: Eenzaamheid. Vertaald uit het Engels door Marie Luyten. Nijgh & Van Ditmar, Amsterdam, 1973

Maaike Hartjes: Burn-out dagboek. Nijgh & Van Ditmar, Amsterdam, 2018

 

Enkele boeken óver dagboekschrijven:

Jennifer New: Drawing from Life – The Journal as Art. Princeton Architectural Press, New York, 2005

Christine de Vries: Dagboek als spiegel – Een handboek vol inspiratie. Met tekeningen van Pol Wijnberg. A3 boeken, Geesteren, 2007

Dagboeken. Themanummer van Maatstaf, dertigste jaargang nummer 11-12, De Arbeiderspers, Amsterdam, 1982

Lutz von Werder, Barbara Schulte-Steinicke: Schreiben von Tag zu Tag. Wie das Tagebuch zum kreativen Begleiter wird. Übungen für Einzelne und Gruppen. Walter Verlag, Zürich/Düsseldorf, 1998

Ira Progroff: At a Journal Workshop. The basic text and guide for using the Intensive Journal process. Dialogue House Library, New York, 1975

Christina Baldwin: Life’s Companion. Journal Writing as a Spiritual Practice. Bantam Books, New York, 1990

Barbara Bronnen: Die Stadt der Tagebücher. Vom Festhalten des Lebens durch Schreiben. Wolfgang Krüger Verlag, Frankfurt am Main, 1996

Sandy Grason: Haal meer uit je dagboek. Schrijven voor innerlijke groei. Vertaald uit het Engels door Willemien de Leeuw. Altamira-Becht, Haarlem, 2007.

 

Aafke Steenhuis nu | Zestig jaar zelfonderzoek

In 2017 verscheen van Aafke Steenhuis: Wie ben je? Dagboeken en zelfportretten.

Aafke Steenhuis is nu 70+ en in dit boek met dagboekfragmenten en geschilderde zelfportretten overziet zij haar leven. De vragen lijken veel op die van 1987:

  • Hoe verloopt een mensenleven?
  • Hoe ontwikkel je je?
  • In hoeverre verander je – en in hoeverre blijf je dezelfde?
  • Wie ben je eigenlijk?

Enkele citaten:

Waarom heb ik zo veel dagboeken geschreven, en zo veel tekeningen van mezelf gemaakt? Al jong besef ik, dat het leven kort duurt, en dat ik intenser leef als ik goed om me heen kijk, en die gewaarwordingen weergeef. Ook zie ik al vroeg in dat de dingen die ik registreer vaak vreemder en fascinerender zijn dan wat ik kan bedenken. Ik wil het leven, het voortgaan van de tijd vastleggen.
(In de Inleiding, blz. 5, ze is 71 jaar oud))
Waarom ben ik al zo jong begonnen een dagboek te schrijven, en heb dat vrijwel ononderbroken tot nu toe gedaan? Al die jaren heb ik mezelf opgesplitst, in iemand die leeft en iemand die dat leven beschrijft en betekenis probeert te geven. Ik voel me vrijwel nooit alleen, omdat ik voor twee leef. Ik ben twee.
(blz. 78, 2001, ze is dan 55 jaar oud)
Schrijven, schrijven, schrijven. Elke dag gebeurt er weer wat, het een verdrijft het andere, drukt het weg, de deksel erop, dicht, zolang als het duurt. (…) Bij alles horen gedachten, analyses, gevoelens, tegenstrijdigheden, spanning.
(blz. 27, 1976, ze is dan 30 jaar oud)
Mijn dagboek is een tuin met paaltjes eromheen. Onverzettelijk hou ik vol en reguleer ik. Zolang ik een dagboek heb, ben ik trouw. Het dagboek is een spiegel, een gesprekspartner, een boekhouding, een werkboek, het aanvoelen van dingen die komen, een verdubbeling, een therapie.
(blz. 40, 1984, ze is dan 38 jaar oud)[19]

 

Maastricht, 7 februari 2019

José Franssen

 

 

 

[1] In: Beeltje de Noord: De wereld als voorstelling en wil – Meisjesdagboeken 1956-1969 Martha Folkers, Sanne Huisman, Beeltje de Noord. Van Gennep, Amsterdam, 1987, blz. 65

[2] Gevonden in Hans Warren over dagboeken: Binnenste Buiten. Bert Bakker, Amsterdam, 1989, blz.65. In dit boekje staan recensies die Warren schreef over dagboeken in De Tijd. De bespreking van de Cahiers intimes inédits de Marie Bashkirtseff (4 delen), Paris, 1925, staat op blz. 64 en 65.

[3] Het zou interessant zijn, meer te weten te komen over deze ‘gaten’ in het dagboekschrijven. Waarom stopt het dagboekschrijven vaak op het moment dat men een nieuwe levensfase in gaat (eerste grote liefde, het voorbij gaan van een liefde, huwelijk, kinderen krijgen)? Is het de angst om het dagboek ertussen te laten komen, als een soort persoon, als verstoorder van de intimiteit, als ‘derde’ in de relatie, zoals Aafke Steenhuis in een lezing in 1987 suggereerde? (zie noot 3).
Het boek: Drift van Bregje Hofstede (Das Mag, 2018) thematiseert dit. Een jonge vrouw loopt weg van haar geliefde, neemt alleen haar dagboeken mee, leest ze terug en constateert dat het schrijven van haar dagboek het breekpunt in de relatie werd.

[4] In: Meulenhoffs Dagkalender Dagboeken 1988. Samengesteld door Hans Warren. In: Robert Musil: Tagebücher. Herausgegeben von Adolf Frisé. Rowohlt, Reinbek bei Hamburg, 1976. Voor deze uitgave vertaald door Ton Naaijkens.

[5] Zie bijvoorbeeld: Simone Brolsma: Dagboeken, een verkenning. In: Maatstaf, themanummer over Dagboeken, Amsterdam, nummer 11/12 1989, blz. 16 e.v.: ‘De literaire vorm van het genre dagboek is niet homogeen. Volgens Frisch bestaat het meestal uit “einzelne Steine eines Mosaiks”, Jünger noemt het een “Puzzlespiel”. De mogelijkheden van deze “open vorm” zijn onbeperkt…’
Tristine Rainer: The New Diary. How to use a journal for self guidance and expanded creativity. North Ryde NSW, Australia en London, 1980, blz. 11: ‘The diary is the only form of writing that encourages total freedom of expression. Because of its very private nature, it has remaines immune to any formal rules of content, structure, or style.’
Ulrich Schaffer: Ich ahne den wechselnden Weg. Stuttgart, 1987, blz. 7: ‘Manchmal haben die andere Formen des Schreibens, das Gedicht, die Erzählung, fast etwas Gestelltes an sich. Und das Gestellte, Unechte will ich nicht. Ich habe mich darum nicht zu Formen gezwungen, die ich nicht füllen konnte. Mir blieb immer die Form des Journals, mit der Freiheit, etwas auch einfach als Fragment stehen zu lassen.’

[6] De tuin waarin ik loop. Dagboeken van meisjes. Lezing van Aafke Steenhuis tijdens de Zomeruniversiteit Vrouwenstudies in Groningen, 29 juni 1987

[7] Deelneemster in een dagboekcursus. Ik gaf in het verleden cursussen Dagboekschrijven en na verloop van tijd deed ik een klein onderzoekje onder mijn ex-deelnemers, op zoek naar hun motieven en manieren van dagboekschrijven.

[8] Simone Brolsma in: Dagboeken, een verkenning. In: Maatstaf, themanummer over Dagboeken, Amsterdam, nummer 11/12 1989

[9] Deelneemster in een dagboekcursus; zie noot 4

[10] Jean-Jacques Rousseau in: Bekentenissen. Vertaald uit het Frans (Les Confessions) en bezorgd door Leo van Maris. De Arbeiderspers, Amsterdam, 1996

[11] Deelneemster in een dagboekcursus; zie noot 4
Boeken bijvoorbeeld: Harold Brodky: Het verhaal van mijn dood. Aidsdagboek. Vertaald uit het Engels door Paul Syrier. Vassallucci, Amsterdam, 1997
Maria Quist: Troostvogels. L’Indépendance, 2008
Joan Didion: Het jaar van magisch denken. Vertaald uit het Engels door Christien Jonkheer. Prometheus, Amsterdam, 2006

[12] Anne Frank: Het achterhuis (het dagboek). In Het korte leven van Anne Frank. Contact, Amsterdam, 1970

[13] In: Anne Frank: Het achterhuis (het dagboek). In Het korte leven van Anne Frank. Contact, Amsterdam, 1970, blz. 190

[14] Virginea Woolf: Schrijversdagboek 1 en 2. De Arbeiderspers, Amsterdam, 1978
Anaïs Nin: Dagboeken 1931-1934 / 1934-1939 / 1939- 1944 / 1944-1947 / 1947-1955 / 1955- 1966 / 1966- 1974. Bert Bakker, Amsterdam, 1973- 1983
Hans Warren: Geheim Dagboek 1939-1940 - Geheim Dagboek 2001; 23-delige serie dagboeken, Bert Bakker v.a. 1981 (deel 17 en 18 bij Balans)

[15] In: Paul Auster: Winterlogboek. Vertaald uit het Engels door Ronald Vlek. De Arbeiderspers, Utrecht/Amsterdam, 2012, blz. 8

[16] In: Nicolien Mizee: De porseleinkast. Faxen aan Ger 2. Van Oorschot, Amsterdam, 2018, blz. 109

[17] Jean-Jacques Rousseau: Bekentenissen. Vertaald uit het Frans en bezorgd door Leo van Maris. De Arbeiderspers, Amsterdam, 1996, blz. 13

[18] In: Rosa Montero: Het absurde idee je nooit meer te zien. Vertaald uit het Spaans door Hendrik Hutter. Wereldbibliotheek, Amsterdam, 2015, blz. 29

[19] In: Aafke Steenhuis; Wie ben je? Dagboeken en zelfportretten. Philip Elchers, Groningen, 2017

Share on Facebook Share on Twitter Epale SoundCloud Share on LinkedIn