chevron-down chevron-left chevron-right chevron-up home circle comment double-caret-left double-caret-right like like2 twitter epale-arrow-up text-bubble cloud stop caret-down caret-up caret-left caret-right file-text

EPALE

Electronic Platform for Adult Learning in Europe

 
 

Blog

DG Rudy Van De Voorde: "Zinvolle detentie bestaat maar voor zover men gedetineerden zinvolle dingen laat doen"

22/10/2019
by Karine Nicolay
Language: NL

Op 18 oktober organiseerden Vocvo en het lerend netwerk Leerwinkels een studiedag over leerloopbaanbegeleiding binnen en buiten de gevangenismuren. Directeur-Generaal van het Directoraat-generaal Penitentiaire inrichtingen, Rudy Van De Voorde, vertelde in zijn toespraak dat hij al openlijk droomt van een verdere introductie van het project Learning Inside Out in de Vlaamse gevangenissen. 

Meer over de studiedag vindt u op deze pagina.

De toespraak van de heer Van De Voorde:

/en/file/dsc0658jpgdsc_0658.jpg

"Sedert 2017 kan het gevangeniswezen zich verheugen partner te zijn in het project Learning Inside Out en dit in drie van haar 17 Vlaamse gevangenissen, met name in Brugge, Ieper en Ruiselede. Een project dat reeds op die relatief korte periode zijn zinvolheid heeft bewezen. Het project kreeg in oktober 2018 immers van het Europees Sociaal Fonds de titel van ESF-ambassadeur. Dit is een erkenning van de meerwaarde van deze variant van dienstverlening, complementair aan de andere dienstverlenende pijlers van de Vlaamse Gemeenschap in de gevangenissen. Dat het project meteen ook uitgebreid wordt naar de gevangenissen in Oost-Vlaanderen, kan ons enkel gelukkig stemmen. En wij durven reeds, niet heimelijk maar openlijk, te dromen van nog meer.

Ik citeer even de definitie die aan leerloopbaanbegeleiding wordt gegeven in de blauwdruk voor leerloopbaanbegeleiding in Vlaanderen en Brussel van 19 januari 2018 en lees het volgende:

“Leerloopbaanbegeleiding is een onafhankelijke en autonome dienstverlening die volwassenen met een leervraag of leernood op weg helpt naar een passend opleidingsaanbod waarbij objectieve informatie wordt verstrekt over leermogelijkheden die passen binnen de persoonlijke omstandigheden van de volwassene. De begeleiding legt met andere woorden de link tussen enerzijds de diverse opties binnen het brede en complexe landschap van volwassenenonderwijs en –vorming en anderzijds de volwassene met zijn specifieke vraag, nood, achtergrond, persoonlijke omstandigheden en perspectief.”

Deze definitie of doelstelling sluit nauw aan bij de missie en de visie van het directoraat-generaal penitentiaire inrichtingen in het algemeen en in het bijzonder bij de finaliteiten van de twee dominante wettelijke kaders die haar opdrachten rechtsgrond geven, i.c. de basiswet van 2005 en de wet externe rechtspositie van 2006.

Artikel 9 van de Basiswet heeft het dan in het bijzonder over “de rehabilitatie van de veroordeelde en op de geïndividualiseerde voorbereiding van zijn re-integratie in de vrije samenleving”. De wet van 2006 is wat diffuser opgesteld wat dit betreft maar is toch gelardeerd met begrippen als “opleidings- of professionele belangen” van gedetineerden, voorbereiden van hun sociale re-integratie en bijgevolg “vooruitzichten op sociale reclassering” hebben en dies meer.

Naast deze structurele overeenkomsten, en nog belangrijker, sluit de doelstelling van leerloopbaanbegeleiding ook nauw aan bij het profiel van de gedetineerden die in onze gevangenissen verblijven en hun noden en behoeften. Een significant deel van hen komt immers de gevangenis binnen met een rugzak vol mislukkingen: een carrière in de bijzondere jeugdzorg, opgestarte begeleidingen allerhande waarvan men gaandeweg afgehaakt heeft, een verstoorde schoolse en professionele carrière zijn er de belangrijkste voorbeelden van. Het is sinds het begin van mijn loopbaan in de gevangenissen dat ik vast stel, en dit tegen alle doemdenken in van diegenen die menen dat “nothing works” in onze gevangenissen, dat diverse gedetineerden de gevangenis verlaten met voor de eerste keer een job op zak, of nog maar een attest van één of andere beroepsbekwaamheid. Een gevangenisverblijf kan wel degelijk het verschil maken.

Er is dus een traditie, over alle paradigma’s heen die door de jaren aan de penitentiaire strafuitvoering gekoppeld zijn geweest, om gedetineerden op weg te helpen in het verwerven van competenties die hen in hun post-penitentiair leven moeten ondersteunen. Werken, al dan niet voorafgegaan door leren, is steeds een fundamentele pijler geweest zowel in de organisatie van het leven binnen de gevangenis als in de voorbereiding van de maatschappelijke re-integratie van gedetineerden. En van oudsher hebben beroepsopleidingen, zowel deze begeleid door externe instructeurs als voorheen door penitentiair personeel dat de titel van monitor droeg, dat toch enigszins als een historische variant van leerloopbaanbegeleiding kan beschouwd worden.

Ik trap dus een open deur in wanneer ik stel dat ook wij de mening zijn toegedaan dat onderwijs een belangrijke plaats inneemt in de detentieinvulling. Het volgen van lessen, het studeren voor examens, het omgaan met faalangst, aansterken van competenties en algemene sociale vaardigheden, het handhaven van een dagstructuur, dit alles kan sterk de kansen op re-integratie verhogen.

Het LIO project stelt leerloopbaanbegeleiding centraal voor gedetineerden. Heel wat gedetineerden hebben nood aan intensieve begeleiding, gelet de historische ballast waarmee ze in onze gevangenissen terecht komen. Heroriëntatie in het maken van keuzes om hun leven na detentie te organiseren, in het bijzonder het gebied van scholing en/of tewerkstelling zijn levensdomeinen waarbinnen ook dit project heeft aangetoond dat de vraag naar ondersteuning bij gedetineerden sterk aanwezig is. Veel gedetineerden hebben dominant negatieve school- en werkervaringen en zijn inherent dikwijls laaggeschoold. De nood aan een positieve benadering van gedetineerden i.p.v. het steeds opnieuw overdonderd worden met negatieve en afkeurende ervaringen, wat niet zelden hun ervaringen uit het verleden kleurt, en het krijgen van kansen om hun leven terug op de rails te krijgen, is daarbij cruciaal.

Het is daarbij belangrijk dat in zo belangrijk mogelijke mate vertrokken wordt vanuit de behoeften en de vraag van gedetineerden en dat het spanningsveld tussen een aanbodgestuurd en een vraaggestuurd beleid goed bewaakt wordt. We moeten immers vermijden dat opleiding geinstrumentaliseerd wordt in het op zich legitiem streven naar een vervroegde invrijheidstelling of andere strafuitvoeringsmodaliteit. De neiging des mensen om te generaliseren, verhoogt het risico immers dat, wanneer de perceptie ontstaat dat de gedetineerde louter op jacht is naar zoveel mogelijk attesten, brevetten, certificaten allerhande, niet enkel de toegevoegde waarde van opleidingsinspanningen van de individuele gedetineerde niet naar waarde worden geschat maar dat een negatieve perceptie riskeert op het gehele onderwijsaanbod af te stralen. Anderzijds moet een zeker aanbod ook durven prikkelen en in dat opzicht heeft een onverwacht aanbod ook zijn opportuniteiten of draagt het bij tot algemene vorming.

Wij zijn er ons van bewust dat de faciliterende rol die onze federale dienst ook op deze pijler van het hulp- en dienstverleningsaanbod van de Vlaamse Gemeenschap moet spelen, niet het niveau haalt die er terecht van kan verwacht worden. Al te dikwijls wordt de continuïteit van de inspanningen verstoord. En ook al kennen wij allen de redenen daartoe, ben ik de mening toegedaan dat we deze problematiek tot op zekere hoogte ook gezamenlijk kunnen, moeten aanpakken. Wij zullen op zoek moeten gaan naar nieuwe vormen van wederzijdse betrokkenheid. Het gevangeniswezen is uitzonderlijk goed geplaatst om over ongewenste gevolgen van de diverse staatshervormingen te getuigen, in het bijzonder in alles wat met gedetineerdenzorg te maken heeft. Dat in de context van deze evolutie ieder van ons op zoek gegaan is naar de mogelijkheden, maar ook naar de grenzen van diens eigen bevoegdheden, het is een gegeven dat niet altijd even duidelijk gevat wordt door de gedetineerden in de eerste plaats. Maar ook op het takenpakket van het gevangenispersoneel, en in het bijzonder op deze van het bewakingspersoneel, is de impact niet te onderschatten. Een impact die ertoe geleid heeft dat de jobinvulling gaandeweg steeds minder aantrekkelijk is geworden want, niet gewild en onterecht, steeds meer herleid tot louter het behoeden van de veiligheid.

Bezig zijn, in contact staan met gedetineerden, binnen welke context ook (en dus ook binnen leren en arbeidstoeleiding), als methodiek van dynamische veiligheid, is allerminst nog mainstream te noemen in de gevangeniscultuur. Veiligheid wordt onvoldoende als resultante van dit begaan zijn met gedetineerden gezien, maar eerder als een a priori op te leggen dwang die eerder een beperkend effect op het bewerkstelligen van een leefbaar detentieklimaat voor gedetineerden, maar tevens een dito werkklimaat voor al wie in de gevangenis aan de slag is.

Indien we samen hetzelfde object van ons handelen delen, in casu de gedetineerde, dan moet dit ook blijken hoe we gezamenlijk met hem of haar omgaan. Hoe we samen die dynamiek en dus die veilige leef- en werkomgeving nastreven. Ik heb daarvoor geen magische oplossing en ik steek de hand uit om gezamenlijk hierover te reflecteren. In het kader van de aanpak van gedetineerden gekend en gevolgd wegens een problematiek van extremisme, radicalisme of terrorisme hebben we een pluridisciplinaire benadering die de grenzen van directie en psychosociale diensten overstijgt reeds ten berde gebracht op het bovenlokaal overleg met de administratie van het departement Welzijn. En ik ben ervan overtuigd dat dit een meerwaarde zal blijken voor ieder van ons. Het is een uitdaging om in de domeinen van leren en werken, en wat beide verbindt, ook dergelijke oefening te doen.

Ik ben mij ten volle bewust van de beperkingen die deze ambitie mag hebben in de omstandigheden waarin het gevangeniswezen zich momenteel bevindt. En ik ben er mij ook ten volle van bewust dat dit streven pas echt een boost zal kunnen krijgen vanaf het moment dat de bepalingen uit de door sommigen zo verguisde wet van 23 maart van dit jaar (de wet die ook de gegarandeerde dienstverlening invoert), die betrekking hebben op de differentiatie tussen de functies bewaken en beveiligen aan  de ene kant en toezicht en begeleiden van gedetineerden aan de andere kant, hun uitwerking zullen hebben gekregen. Maar niets mag ons beletten om die filosofie niet nu reeds te introduceren.

Beschouw dit niet als een vlucht weg van onze faciliterende opdrachten waarin we blijven investeren en nog meer zullen investeren. Het uitdagende domein van de digitalisering ligt voor een belangrijk deel nog voor ons en het is absoluut onze ambitie om de toegang tot e-learning, zelfstudie en andere digitale toepassingen binnen een redelijke termijn aan een ruim deel van de gevangenisbevolking ter beschikking te stellen.

En ook dat zal de wijze waarop diensten van de Vlaamse Gemeenschap, en bij uitstek wellicht deze die zich met opleiding en scholing bezighouden, in de gevangenissen aanwezig zijn, een ander uitzicht geven. En mogelijks is ook dit dan een domein waarin gezamenlijk handelen, ieder binnen de grenzen van diens wettelijke opdrachten en eigen deskundigheid, op voet van gelijkwaardigheid, een nieuwe doorstart kan krijgen.

Dit lijkt mij ook nuttig tot noodzakelijk in het kader van de verdere uitbouw van detentieplanning waarin jullie diensten een belangrijk aandeel hebben. En daaruit voortvloeiend bij de verdere uitbouw van een gediversifieerd pakket van, wat wij gemeenlijk regimes noemen. Maar die nog min nog meer het samengaan van activiteiten van bewaking en beveiliging, bejegening, begeleiding en zo meer zijn. Waarbij wij ook over de grenzen van elkaars bevoegdheden en takenpakketten zullen moeten durven kijken opdat de som van het geheel van al onze inspanningen effectief meer is dan louter van de som van de delen.

Het is vanuit dat opzicht wellicht ook niet toevallig dat de hoger geciteerde definitie van leerloopbaanbegeleiding zo goed matcht met het fenomeen van detentieplanning dat ook van start gaat met een onderzoek naar de persoon van de veroordeelde. Ook jullie methodiek vangt aan met het zoeken naar een antwoord op de specifieke vraag, nood, achtergrond, persoonlijke omstandigheden en perspectief van de gedetineerde. Het jargon delen we alvast, laat ons dus ook de methodiek van de detentieplanning verder samen uitbouwen en delen. Ze vormt dan meteen de basis om elkaar ook in de fase van de voorbereiding van de maatschappelijke re-integratie verder te vinden, wat uiteindelijk toch het doel is van de detentiezorg.

Ik ga jullie niet langer belasten met wens- en misschien droombeelden. Ze riskeren ons momenteel te ver van de realiteit van alle dag weg te duwen. De sprekers na mij zullen zeker en vast meer down to earth zijn, en maar goed ook.

Ik hoop niettemin jullie ervan overtuigd te hebben dat ook voor het gevangeniswezen het hulp- en dienstverleningsaanbod van de Vlaamse Gemeenschap in het algemeen en initiatieven als deze waarvoor we hier vandaag zijn samen gekomen, van onschatbare waarde zijn op de weg naar een zinvolle detentie. Zoals onze woordvoerster recent nog stelde: “zinvolle detentie bestaat maar voor zover men gedetineerden zinvolle dingen laat doen”. En indien we de stelling dat in ons land, met zijn small open economy, onze grijze massa onze kostbaarste grondstof is, onderschrijven (en dat doen we ook), wat kan er dan zinvoller zijn dan nog meer in opleiding en arbeidstoeleiding via opleiding te investeren. Ik wil ieder van jullie die van minder ver en nabij hierbij betrokken is dan ook van harte te danken voor diens inspanningen en inzet en wens jullie allen nog een vruchtbare en voldoening gevende toekomst tegemoet."

 

 

 

 

Share on Facebook Share on Twitter Epale SoundCloud Share on LinkedIn